content

Aanleg van riolering in Rotterdam

Stelsel van buizen, putten en pompen voor de afvoer van afval- en hemelwater, waarvan de aanleg in Rotterdam begon omstreeks 1890.

voorgeschiedenis

In de steden was de afvoer van fecaliën, zoals poep deftig genoemd wordt, eeuwenlang een enorm groot probleem. Van riolering was totaal geen sprake. Aangezien zo ongeveer elk huis in de onmiddellijke omgeving van een gracht of een sloot lag, deponeerde men daarin de fecaliën en al het andere afval. Hoe dichter de bebouwing, hoe groter de vervuiling. Alleen de betere huizen hadden privaten in de vorm van gemetselde putten. Het was ten strengste verboden om de privaten in de goten of in de stadsgrachten te laten uitlopen en het vuil moest buiten de stad worden afgevoerd. Vanaf 1721 werd het legen van de putten aan speciale nachtwerkers opgedragen. De verordeningen hielpen echter weinig want in 1825, dus ruim honderd jaar later, deelden B&W mee dat het onmogelijk was er streng de hand aan te houden. De bevolking was nu eenmaal gewend de sloten en grachten als open riolen te beschouwen, die dan ook in smerig stinkende modderpoelen veranderden. Regelmatig braken er cholera-epidemieën uit die vele slachtoffers eisten.

eerste initiatieven

De eerste verbeteringen aan de riolering vonden plaats onder stadsarchitect Willem Nicolaas Rose. Al in 1842 maakte hij een plan, waarmee niets werd gedaan. Een nieuwe cholera-epidemie in 1847-1848 met veel slachtoffers maakte duidelijk dat er snel wat moest gebeuren. De maatregelen bleven echter beperkt tot het dempen van enkele binnenwateren en het aanleggen van wat riolen, maar deze kwamen uit op waterlopen en waren dus allesbehalve een verbetering. Na jarenlange discussie in de gemeenteraad werd in 1854, toen de cholera de stad opnieuw in haar greep hield, eindelijk het zogeheten Waterproject van Rose aangenomen. Het werd de grondslag van een regelmatige verversing van de wateren in de binnenstad. De stad legde in- en uitlaten aan en verzamelriolen ter vervanging van de vele sloten en grachtjes, maar in 1866-1867 werd Rotterdam door de zoveelste cholera-epidemie getroffen die aan 1607 mensen het leven kostte. Maatregelen waren onder meer de demping van de Botersloot in 1866 en de aanleg van ruim 3550 meter riool. De gezondheidscommissie was ervan overtuigd dat een privaat in elk huis noodzakelijk was, maar wettelijk gezien was een verplichting niet uitvoerbaar. Het gemeentebestuur kon nauwelijks ingrijpen bij deze problemen, die sterk particulier van aard waren. Ondertussen ging de sterk groeiende bevolking onverminderd door met het lozen van fecaliën en ander afval in de dichtslibbende wateren.

Aanleg van een spoelsysteem

Een nieuw tijdperk luidde het rapport van G.J. de Jong, directeur Gemeentewerken, in 1883 in. Hij achtte een verordening nodig die het willekeurig aanleggen van straten en het volbouwen van erven moest tegengaan. Bovendien moesten grondeigenaren verplicht worden woningen aan te laten sluiten op de gemeentelijke riolering. De Jongh was voorstander van het ‘spoelsysteem’, watercirculatie zoals dat al onder Rose was ontwikkeld. In Amsterdam, Den Haag en Leiden was echter in 1870 het ‘Liernursysteem’ ingevoerd: een luchtdicht, gesloten buizensysteem dat vanaf de privaten uitliep op reservoirs die werden leeggezogen met een luchtpomp. Het ‘spoelsysteem’ van De Jongh werd dan ook van alle kanten aangevallen en het duurde nog tot 1889 voordat de gemeenteraad ermee instemde. Maar toen was Rotterdam, in tegenstelling tot de steden die het ‘Liernursysteem’ hadden, vrij snel verlost van de vervuilde binnenwateren en het sterftecijfer daalde enorm. De Jongh ging over tot strikte scheiding van de afvoer van fecaliën en afvalwater enerzijds en regenwater anderzijds. Langs de singels van Rose werden riolen aangelegd en in de singels kwam alleen schoon water. Verzamelriolen vervoerden via gemalen het afvalwater naar de rivier. Decennia later zou blijken dat daardoor de rivier zelf een open riool was geworden. Het ‘spoelsysteem’ had zijn dienst gedaan en was niet meer acceptabel zonder tussenschakels van rioolwaterzuiveringsinstallaties.