content

Chabot, kassiers en makelaars in assurantien

Chabot is van oorsprong een familiebedrijf van scheepvaartverzekeraars en effectenmakelaars, opgericht in 1769. In de loop van de negentiende eeuw richtte het bedrijf zich steeds meer op het verrichtten van betalingen voor derden, de zogenaamde kassiersdiensten. Het bedrijf ontwikkelde zich tot een volwaardige bank in de twintigste eeuw.

Hugenoten

De Chabots waren oorspronkelijk Hugenoten, die na de opheffing van het Edict van Nantes in het gastvrije Holland neergestreken waren. De familie Chabot heeft zich toegelegd op de kassierderij en de assurantiemakelaardij . De grondslag hiervoor werd gelegd toen David Chabot (1739-1818) in 1769 van het Rotterdams stadsbestuur een aanstelling tot ‘extra-ordinaris makelaar in de wissel en assurantie' ontving. Een uitbreiding met de makelaardij 'in de losse en vaste effecten' volgde in 1772. Hoewel Rotterdam een vast aantal makelaars had, kwam het voor dat er boventallige (extra-ordinares) aangesteld werden. Zodra een plaats opengevallen was, werden zij gewoon makelaar. Zo werd ook David Chabot makelaar in 1780.

In de Franse Tijd namen de zaken van Chabots toe als nooit tevoren. In 1799 kwam zoon Jean Joseph (1772-1850) de gelederen versterken: de firma werd David Chabot en Zoon. In deze tijd kwam niet alleen de kassierderij maar ook de brandassurantie sterk naar voren. Dat kwam bijzonder goed uit, aangezien de zeeassurantie het door de achteruitgang van de scheepvaart zwaar te verduren had. Toen David in 1818 overleed was de firma Chabot en Zoon stevig in het Rotterdamse bedrijfsleven verankerd. Jean Joseph bleef het bedrijf onder de firmanaam David Chabot en Zoon uitoefenen, maar zijn loopbaan verliep op het eind van zijn leven niet zo rooskleurig als die van zijn vader. Op 19de januari 1836 had hij na een run op zijn kantoor, de uitbetalingen moeten staken omdat niet genoeg liquide middelen aanwezig bleken. Dat moet een schokkende gebeurtenis in het Rotterdam van die jaren zijn geweest. Jean Joseph trad daarop als firmant terug en zijn zonen Isaac Jacques (1804-1872), Jean Jonas Taudin (1809-1885) en Sébastien Abraham (1810-1887) namen het roer in handen. De firma David Chabot en Zoon werd geliquideerd, de zonen namen de firmanaam Gebroeders Chabot aan.

Gebroeders Chabot

De firma David Chabot en Zoon kon het zakenleven zonder uitstaande schulden verlaten, vooral dankzij enkele familieleden die bereid waren van hun vorderingen af te zien. De hechte positie die het kassiers- en makelaarskantoor Chabot ondertussen in het Rotterdamse bedrijfsleven innam, blijkt wel uit het feit dat de cliënten van David Chabot en Zoon met zegge en schrijve één uitzondering alle naar Gebroeders Chabot overgingen.

Tot in het jaar 1921 waren de firmanten uitsluitend leden van de familie Chabot en bleef de firmanaam ongewijzigd. Isaac Jacques trad in 1851 uit de vennootschap. Daarna werden de volgende vennoten opgenomen:

  • In 1869 werden Jean Joseph Marie Taudin (1859-1909), zoon van Jean Jonas Taudin en Abraham Sebastien (1842-1928), zoon van Sébastien Abraham, als vennoten in de firma opgenomen.
  • Jacob Louis (1845-1921), eveneens een zoon van Sebastien Abraham, volgde in 1879. In het jaar 1880 waren er dus vijf aansprakelijke vennoten.
  • Jean Jonas Taudin werd in 1884 commanditair vennoot, maar overleed al het jaar daarop. Sebastien Abraham stierf in 1887, zodat er rond het jaar 1886, vijftig jaren na de oprichting, in de leiding van de zaak een generatiewisseling plaats vond.
  • Tot 1905 waren er drie aansprakelijke vennoten, het gezelschap werd dat jaar versterkt met een zoon van Abraham Sebastien, Abram (1871-1953) en een zoon van Jacob Louis, Jacques (1876-1921).
  • Jean Joseph Marie Taudin werd na zijn overlijden in 1909 opgevolgd door zijn zoon Marius Taudin (1884-1966).

Tussen 1905 en 1910 kreeg de leiding dus opnieuw een andere samenstelling, maar de ervaring bleef in de personen van Abraham Sebastien en Jacob Louis. De firmanten bleven met hun vijven tot 1921, het jaar van de overname van de kassiers- en bankiersafdeling door de Nederlandsche Handel-Maatschappij, gezamenlijk leiding geven aan het bedrijf.

  • In 1919 werden vijf personeelsleden tot procuratiehouder benoemd.
  • In 1911 werd bij contractwijziging vastgesteld dat bij het overlijden van firmanten hun weduwen automatisch commanditaire vennoten werden.
  • Vanaf 1911 traden Jean Jonas Taudin Chabot als commanditaire vennoot op.
  • Vanaf 1918 trad de firma Dikema en Chabot als commanditaire vennoot op.

Stagnatie

Na een gestage groei vanaf 1836 brachten de zestiger jaren een bloeiperiode die zich in de eerste jaren van het volgend decennium voortzette. Onder invloed van de economische crisis en toenemende concurrentie trad daarna een daling van de winsten op, die uiteindelijk op een lager niveau gestabiliseerd werden. De bedrijfsomvang vertoonde weldra echter een herstel, wat tegen de achtergrond van een zich dynamisch ontwikkelend Rotterdam niet uit had mogen blijven. In 1905 moest Abraham Sebastien echter constateren dat de uitbreiding van de stad en de toename van de scheepvaartbeweging niet tot nieuwe relaties van enig belang geleid hadden. Hij drong aan op een actieve opstelling; de zaken tegemoet in plaats van af te wachten.

Ontwikkeling tot bankiers

Er waaide een frisse wind door het aloude kantoor. Door de concurrentie van de banken ging het bedrijf zich op initiatief van Jean Joseph Marie Taudin Chabot op de wisselarbitrage toeleggen. Zijn zoon Marius zond hij naar het buitenland om zich met deze materie vertrouwd te maken. In de vaderstad teruggekeerd drukte de jonge Marius van meet af aan zijn stempel op bedrijf en beleid. De bakens werden verzet. Vooral de handel in buitenlandse wissels nam een hoge vlucht, maar ook het inkomen uit interest steeg met sprongen. De Chabots hadden zich tot echte bankiers ontwikkeld.

In het tweede decennium van de twintigste eeuw beleefde het bedrijf een ongekende groei. In 1913 was het peil van het derde kwart van de negentiende eeuw weer bereikt. De oorlogsjaren brachten het kantoor in een situatie waarin op een nog hogere versnelling overgeschakeld moest worden. Misschien wel op een te hoge versnelling, want de zaken namen zo toe, dat het bedrijfskapitaal naar verhouding te gering werd.

Reorganisatie

Vanaf 1915 werden pogingen in het werk gesteld om tot een reorganisatie te komen. Uiteindelijk ging men er in 1921 toe over de kassiers- en bankiersafdeling geheel van de assurantieafdeling los te koppelen. De assurantieafdeling, het oudste bedrijfsonderdeel, ging onder de naam Gebroeders Chabot en Co. een zelfstandig bestaan leiden, het kassiers- en bankiersbedrijf werd met de firmanaam Gebroeders Chabot overgenomen door de Nederlandsche Handel-Maatschappij. De nieuwe firma Gebroeders Chabot kende als aansprakelijke vennoten de Nederlandsche Handel-Maatschappij zelf en Marius Taudin Chabot. Nadat Marius eerst agent was geweest voor de Nederlandsche Handel-Maatschappij, schopte hij het tot directeur in 1929. Tezelfdertijd stapte hij uit de firma Gebroeders Chabot. Met de liquidatie van de zaken van de oude firma had men in 1921 dezelfde Chabot belast.

Personele groei

Met de zaken mee groeide de personeelssterkte:

  • In de achttiende eeuw was er minstens één kantoorbediende;
  • In 1815 werd vier personen salaris uitgekeerd;
  • Rond 1840 was dat aantal tot zeven aangegroeid;
  • In 1885 had het personeel het aantal van 25 bereikt, dat zich daarna uitbreidde, eerst geleidelijk, met de bloei van de zaak sneller;
  • In 1910 waren er 34 personen werkzaam;
  • In 1920 waren het er 72 geworden;
  • In 1913 was het personeel al zo talrijk geworden, dat een kantoorvoetbalvereniging luisterend naar de naam 'Uitspanning Na Inspanning' (UNl) opgericht kon worden.

Bedrijfsafdelingen

We kunnen aannemen dat zich met de toename van de zaken en de groei van het personeelsbestand in de werkzaamheden een specialisatie voltrokken heeft. Immers, de bedrijfsfunctie bleef dezelfde, zij het dan dat in het laatste decennium nieuwe bankiersactiviteiten ontplooid werden. Een aantal schema's, alle uit de twintigste eeuw, laten ons een aantal bedrijfsafdelingen zien. Eén is er die de volgende noemt: kas, binnenlandse correspondentie, buitenlandse correspondentie, buitenlandse wissels, binnenlandse wissels, binnenlands incasso, boekhouding, effecten en assurantie. Er zijn schema's die hiervan afwijken. Januari 1884 werd ten behoeve van het personeel een spaarfonds ingesteld, waaraan de firma jaarlijks een bedrag van duizend gulden schonk. Minstens eenmaal per jaar kwamen firmanten en personeel bijeen om de financiële situatie van het fonds te bespreken.

Cliënten

Eén der Chabots kenschetste de relatie met de cliënten in 1911 aldus: 'Het bedrijf der firma in den wisselenden loop der tijden bleef getrouw aan de oude kassierstraditie, gekenteekend door den engelschen koningsspreuk 'ich dien', d.w.z. zocht meer zijne verdienste in het hulpvaardig volgen dan in het zelf spelen van een leidende rol'. Volgens de boekhoudkundige registers had Chabot als vaste cliënten en correspondenten met een eigen rekening:

  • In 1772 een aantal van 41
  • In 1778 t/m 1791 was dit aantal 102,
  • In 1836 een aantal van 172
  • In 1879 een aantal van 334
  • In 1913 een totaal van 368.

Correspondenten

In het binnenlandse betalingsverkeer heeft Amsterdam steeds een centrale positie ingenomen, zodat in 's lands hoofdstad Chabots belangrijkste correspondenten gezocht moeten worden. In de eerste helft van de negentiende eeuw was dat J.H. Schuymer en Zoon, daarna Lippmann Rosenthal en Co. Rond 1865 had Chabot een net van correspondenten opgebouwd dat geheel Nederland overdekte. Buitenlandse correspondenten, met wie een zeer langdurige relatie onderhouden is, waren in Parijs Mallet frères et Cie., in Frankfurt a/d Main Johann Mertens. In de negentiende eeuw waren de omzetten op de buitenlandse rekeningen naar verhouding gering, maar in de volgende eeuw namen zij spectaculair toe, vooral dank zij de handel in buitenlandse wissels.

Huisvesting kantoor

Het bedrijf werd uitgeoefend in een kantoor in de oude 'waterstad', het van leven bruisende handels- en scheepvaartkwartier, dat de 14de mei 1940 van de aardbodem weggevaagd werd. David Chabot was zijn zaak begonnen aan de Glashaven Wz., in het derde huis vanaf de Wijnhaven. In 1782 kocht hij het pand aan de Leuvehaven dat later het nummer 80 zou krijgen. Dit pand liep van de Leuvehaven tot aan de Scheepmakershaven, waarbij aan de Leuvehaven-zijde het woonhuis stond en aan de kant van de Scheepmakershaven een pakhuis met de naam 'de Wijnstok'. David richtte de parterre van het pand aan de Leuvehaven in tot kantoor en de bovenste verdieping tot woonhuis. In 1861 werd een belendend woonhuis aan de Leuvehaven aangekocht. Na verbouwingen kwam in 1896 het kantoor aan de zijde van de Scheepmakershaven (nr. 66) te staan. In 1888 is door de erven van Sebastien Abraham Chabot en zijn vrouw, aan wie de panden overgegaan waren, een NV opgericht met de naam 'De Wijnstok', Maatschappij tot aankoop en beheer van onroerende goederen te Rotterdam, waarin de panden Leuvehaven 78 en 80 ingebracht werden. De firma Gebroeders Chabot nam de aandelen hiervan a pari over. Abraham Sebastien Chabot werd administrateur van de maatschappij.

Literatuur
Toegangsnummer: 198 Archieftitel: Fa. Gebr. Chabot & Co, makelaars in assurantien