content

Elektriciteit in Rotterdam

Rotterdam speelde voor de invoering van elektriciteit in Nederland een grote rol. De stad had niet alleen de eerste elektriciteitscentrale van Nederland maar ook de eerste gloeilamp en het eerste gemeentelijke elektriciteitsbedrijf. De vroegste elektrische verlichting in Rotterdam had Hotel Leygraaff aan het Westplein dat in 1878 met behulp van een dynamo en één booglamp zijn hoteltuin verlichtte.

Eén booglamp per dynamo

Booglampen, batterijen en dynamo’s zijn allemaal vindingen die in de negentiende eeuw van belang waren voor de invoering van elektriciteit. Elektrische verlichting werd geïntroduceerd door particulieren. In eerste instantie kon er met elektriciteit maar één lamp tegelijkertijd worden ontstoken en ook de reikwijdte was beperkt. Elektriciteit bleef nog beperkt tot buitenruimtes en grote binnenruimtes, waar felle booglampen voor verlichting zorgden. De vroegste elektrische verlichting in Rotterdam had Hotel Leygraaff aan het Westplein dat in 1878 met behulp van een dynamo en één booglamp zijn hoteltuin verlichtte.

‘Jablochkoff-kaarsen’

In datzelfde jaar liet de Rus Jablochkoff voor de Wereldtentoonstelling in Parijs over de hele lengte van de Avenue de l’Opéra 64 booglampen tegelijkertijd branden met één dynamo. Deze verbazende eerste elektrische straatverlichting werd ook aanschouwd door enkele bestuursleden van de Rotterdamse gasfabriek. De Rotterdamse juwelier Rooseboom & Co kocht in 1880 een installatie van deze ‘Jablochkoff-kaarsen’ en verlichtte er zijn gevel aan de Zuidblaak mee.

Demonstratie van Wisse

Een concurrent van Jablochkoff, W.J. Wisse uit Den Haag, pretendeerde elektriciteit centraal te kunnen opwekken, waardoor ze dus aan meer klanten geleverd kon worden. Hij vroeg de gemeente Rotterdam een vergunning maar die had er niet veel vertrouwen in. Als bewijs van zijn kunnen gaf Wisse begin 1881 een demonstratie in de nieuwe Passage aan de Coolvest. Enkele maanden later liet hij twaalf booglampen ontsteken in de officierssociëteit in het Park.

De eerste elektriciteitscentrale in Rotterdam

De nv Nederlandsche Electriciteitsmaatschappij (NEM) kreeg van de gemeente Rotterdam een vergunning en vestigde de eerste centrale aan de Baan. Op 19 december 1883 leverde ze voor het eerst elektriciteit, waarmee ze de eerste elektriciteitscentrale in Nederland was. Vanuit de centrale liep een kabel naar de Passage aan de Coolvest, die was aangesloten op de installaties van het Grand Café du Passage en van enkele winkels. Vooral het Café du Passage, waar maar liefst 172 gloeilampen waren aangebracht, trok veel belangstelling. In 1884 nam Grand Hotel Coomans aan de Hoofdsteeg zijn elektrische installatie in gebruik, waar ook bedrijven uit de omliggende Hoogstraat op waren aangesloten.

De eerste gloeilamp in Rotterdam

Booglampen waren ongeschikt voor gebruik in huiskamers. Daarvoor was de uitvinding van de gloeilamp, in 1879, noodzakelijk. Dit opgloeiende draadje in een glazen bolletje produceerde zwakker licht en was goedkoper, schoner en gemakkelijker in gebruik dan de booglamp. Dat de eerste Nederlandse gloeilamp in Rotterdam op de markt kwam, hebben we te danken aan de Russische uitvinder Achilles de Khotinsky.

De Khotinsky

Hij opende in 1883, onder de naam n.v. Elektriciteits-Maatschappij Systeem ‘de Khotinsky’, aan de Prins Hendrikkade de eerste accu- en gloeilampenfabriek van Nederland. In 1885 bracht hij de eerste verkoopbare gloeilamp op de markt. Behalve het produceren van gloeilampen wilde hij Rotterdam ook aansluiten op het lichtnet, maar de bouw van vier stations voor de elektriciteitsproductie werd hem door de gemeente geweigerd. De Khotinsky vertrok in 1888 naar Keulen maar zijn gloeilampenfabriek bleef nog tot 1891 draaien en zijn proefcentrale tot 1895.

Het eerste gemeentelijke energiebedrijf

In 1893 nam de gemeente Rotterdam de exploitatie van elektriciteit in eigen hand waarmee ze de eerste gemeente in Nederland was. Daarmee kwam definitief een einde aan particuliere stroomlevering. De eerste gemeentelijke stroom werd geleverd vanuit het onderstation aan de Wilhelminakade. Grote centrales waren die aan de Schiehaven (1906), aan de Maashaven (1912) en aan de Galileïstraat (1934).

Hoewel elektrisch licht snel populair werd, was van een algeheel gebruik aan het einde van de 19e eeuw nog lang geen sprake. Het werd in fasen ontwikkeld en het duurde nog lang voordat een hele stad elektrisch verlicht was. Zo waren er in 1925 in het Rotterdamse straatbeeld meer straatlantaarns met gaslampen te zien dan met elektrisch licht.

Privatisering

In 1992 werd het GEB verzelfstandigd. Nu was Rotterdam een van de hekkensluiters, want elders waren de energiebedrijven al eerder geprivatiseerd. Een paar jaar later fuseerde de GEB met de energiebedrijven van Dordrecht en Den Haag tot het nog altijd bestaande Eneco.