content

Gaskwestie

De Gaskwestie is het conflict tussen de gasfabrieken Imperial Continental Gas Association (ICGA) en Nieuwe Rotterdamsche Gasfabriek (NRG) en de gemeente Rotterdam in de jaren 1881-1886 over het voortbestaan van de particuliere gasproductie.

Levering van gas

Het van oorsprong Engelse ICGA bezat sinds 1825 een gasfabriek in Rotterdam. Met de aanbesteding op 14 september 1859 verkreeg de maatschappij een contract voor de levering van gas voor de periode van 1 januari 1861- 31 december 1880 tegen een prijs van één cent per branduur aan particulieren voor de verlichting van huizen en winkels. Aan de Nieuwe Rotterdamsche Gasfabriek (NRG) werd de verlichting van de gemeentelijke gebouwen gegund.

Voorstel voor contractverlenging

Op 10 februari 1879 schrijven B en W aan de raad dat per 31 december 1880 de concessies voor beide gasfabrieken zouden aflopen. Aangezien beide de gasprijs aanmerkelijk wilden verlagen, stelden zij voor de concessie te verlengen. Hier werd positief op gereageerd door de raad. Artikel 13 resp. 14 van de nieuwe overeenkomsten voor het tijdvak 1881-1890 bepaalde dat B en W het recht hadden na drie jaar de overeenkomst op te zeggen. Deze eindigde dan een jaar later. De directie van de ICGA deed in 1881 het voorstel om de fabriek naar een braakliggend gebied te verplaatsen. Op 3 oktober 1881 werd er een ontwerpovereenkomst aangeboden waarbij de maatschappij een contract voor dertig jaar zou worden verleend. Als tegenprestatie wilde zij haar fabriek verplaatsen naar Delfshaven en de gasprijs verlagen. Er werd door B en W geadviseerd op dit aanbod in te gaan.

Commissie van Weel

Intussen was in de gemeenteraad de commissie Van Weel benoemd die het oneens was met de zienswijze van het college van B en W. Zij was van mening dat een veel te hoge prijs voor het gas werd gevraagd. Bovendien betoogde de commissie dat de vergunning oorspronkelijk bij Koninklijk Besluit was verleend aan Sir William Congreve c.s., en niet aan de ICGA. Bovendien hadden B en W in 1825 wel vergunning verleend, maar ook onder de toenmalige wetgeving al ten onrechte. De gemeenteraad had dit moeten doen. De commissie vervolgde haar argumentatie dat uit de stukken overigens bleek dat het KB stond op naam van een zekere L. Roelandt & Co te Gent, en dat nergens uit bleek dat die overeenkomst was overgegaan in handen van de ICGA. Tenslotte betwistte zij koning Willem I het recht om bij KB over Rotterdamse gemeentegrond te beschikken, in het bijzonder wat betreft het leggen van buizen.

Het resultaat was dat de gemeenteraad op 24 november 1881 de concessieverlenging met 30 jaar afwees. In het rapport van 28 november 1881 stelde de commissie voor om te besluiten tot: * het intrekken van alle concessies met betrekking tot het leggen van of hebben van buizen etc. in gemeentegrond met ingang van 1 januari 1885; * het intrekken van de overeenkomst tot verlichting van de openbare wegen en gebouwen; * de aankoop van de gasfabriek van de NRG om de exploitatie ervan als gemeentegasfabriek voor te zetten.

Commissie van technici en industriëlen

Er werd nu een commissie van technici en industriëlen gevormd, bestaande uit vijf leden om het rapport van de commissie Van Weel te bestuderen. Eén van de leden van deze nieuwe commissie was F. Philips, industrieel te Zaltbommel en vroeger eigenaar van de daar gevestigde gasfabriek. Op 23 september 1882 rapporteerde deze commissie aan B en W dat:

  1. Het wenselijk was de concessies in te trekken en dat één fabriek op de rechter Maasoever voldoende was.
  2. De meerderheid van de commissie meende dat een nieuwe concessie van bijvoorbeeld 20 jaar onder bepaalde voorwaarden kon worden gegeven maar ook dat een minderheid meende dat gemeentelijke exploitatie noodzakelijk was.

De commissie was verder van mening dat de vooruitgang van het elektrische licht geen belemmering hoefde te zijn om een nieuwe gemeentelijke gasfabriek te stichten indien dat nodig mocht zijn.

Nieuw voorstel

De ICGA reageerde op dit rapport met het voorstel om de concessie voor de gehele rechter Maasoever dan maar aan haar te gunnen. Om het voorstel voor de raad verteerbaar te maken, bood zij aan de winst tot tien procent te beperken en de fabriek te verplaatsen. De gemeente zou het recht hebben na verloop van telkens tien jaar de vergunning in te trekken.

Het college van B en W vond dit een aantrekkelijk plan. In het voorlopige advies van 15 november 1882 adviseerden zij de Raad in beginsel te besluiten tot intrekking van de bestaande vergunningen. Verder adviseerde zij de raad voorwaarden te scheppen voor de beslissing over de opzegging van de contracten met betrekking tot de verlichting van de openbare weg en gebouwen. Er zouden ook onderhandelingen gestart moeten worden over een concessie voor één gasfabriek gedurende dertig jaar.

Raadsbesluit

Op 22 december 1882 besloot de Raad met 18 tegen 17 stemmen tot gemeentelijke exploitatie. Hoewel al spoedig onderhandelingen met de NRG werden aangeknoopt om tot overname van de fabriek te komen, kon de ICGA nog enkele jaren doordraaien totdat de uitbreidingen van de nu gemeentelijke gasfabriek aan de Oostzeedijk zouden zijn voltooid. De maatschappij bleef zich tot het uiterste verzetten. Met voorstellen van 27 juni 1883 en 31 augustus 1883 herhaalde zij haar aanbod om tegen gunstige voorwaarden de gaslevering voort te zetten.

Afwikkeling

Op 17 december 1885 echter besloot de gemeenteraad om de concessie tot het hebben van buizen in de Rotterdamse grond in te trekken per 1 mei 1887, evenals het contract voor de straatverlichting. De problemen waren echter nog niet voorbij. Rond 1882 had de ICGA de gasfabriek van Delfshaven, gelegen aan de Oostkous, van de heer Kampers te Amsterdam gekocht. Aangezien Rotterdam en Delfshaven op 30 januari 1886 werden samengevoegd, zat de gemeente opnieuw met een particuliere gasfabriek opgescheept. De ICGA zag echter zelf ook wel in dat er na de samenvoeging weinig toekomst meer in zat. Volgens een advies van de Raadscommissie voor de Gasfabrieken op 10 mei 1886 stelde de maatschappij voor de fabriek te Delfshaven te verkopen voor fl. 250.000, - per 1 oktober 1887. Op 10 juni 1886 ging de Raad hiermee akkoord. Een laatste transactie vond nog plaats op 28 oktober 1886 toen de Raad akkoord ging met de overname van het buizenstelsel van de ICGA voor ongeveer fl. 33.000, -

Literatuur
Toegangsnummer: 163, Archieftitel: Gemeente Gasbedrijf en Gemeente Energie Bedrijf (afd. Gas) (Rotterdam)*