content

Foto's bewaren

Louis-Jacques Daguerre (1878 – 1851) wordt gezien als de uitvinder van de fotografie. De term, voor het eerst door Sir John Herschel gebruikt om de fotografische procédés van Daguerre te beschrijven, betekent letterlijk ‘schrijven met licht’ (uit het Grieks: photos=licht, graphein=schrijven). Het materiaal is van nature kwetsbaar en gevoelig voor aantasting door licht, temperatuurschommelingen en vocht.

Daguerrotypie

De eerste scherpe daguerreotypie wordt gemaakt in 1839. Een met zoutoplossing geprepareerde gepolijste zilveren plaat wordt blootgesteld aan kwikdampen. Dat levert positieve, spiegelende beelden op. Een daguerreotypie is uniek omdat er geen negatief wordt gebruikt. Om de fragiele plaat te beschermen tegen dofheid wordt deze direct achter glas geplaatst en met papieren plakband vastgezet. De glasplaat wordt vervolgens in een kleine cassette met scharnieren gedaan. Een daguerreotypie is herkenbaar aan de spiegeling in het materiaal van de plaat. Dit wordt zichtbaar door de plaat voorzichtig heen en weer te kantelen. De techniek is in gebruik geweest tot ongeveer 1860.

Over het algemeen wordt afgeraden een daguerreotypie te openen, aan te raken of schoon te maken. Het is raadzaam dat over te laten aan een professional, aangezien er snel schade ontstaat en beschadigingen niet te repareren zijn.

Stereofotografie

De stereofotografie is uitgevonden door Charles Wheatstone. Deze wetenschapper bewijst in 1832 dat ruimtelijke waarneming mogelijk is dankzij het verschil tussen de beelden op ons linker- en rechternetvlies. De hersenen vormen op basis van dit verschil een ruimtelijk beeld. Zo stellen we de afstand vast tussen onszelf en een object dat we zien. Sir David Brewster ontwerpt vervolgens een stereofototoestel en een kijker. Opticien J. Duboscq begint met de productie van het apparaat. Stereofotografie wordt toegankelijk voor een groter publiek. Op de Wereldtentoonstelling van 1851 in Londen wordt het nieuwe medium gepresenteerd. Koningin Victoria toont haar interesse voor de techniek en stereofotografie wint enorm aan populariteit. Er zijn veel stereofoto’s van stadsgezichten bewaard gebleven uit het midden van de negentiende eeuw, onder meer van Rotterdam.

Net als bij ander fotomateriaal is het belangrijk om stereonegatieven en -foto’s in het donker te bewaren. Gebruik stalen kasten, want kasten van hout scheiden gassen of peroxides af en tasten het fotomateriaal aan.

Fotoafdrukken

Foto’s bestaan vaak uit verschillende lagen die elk een verschillende substantie bevatten, waardoor een complexe structuur ontstaat. Een middel dat gebruikt kan worden om de ene laag te behandelen, kan juist slechte gevolgen hebben voor een andere laag. De behandeling van foto’s is daardoor een specialistisch werkje. Het is raadzaam om een deskundige restaurator te raadplegen bij twijfel over de staat van een fotografisch werk.

Foto’s worden meestal op polyethyleenpapier gedrukt. Dit materiaal is niet geschikt voor langdurige blootstelling aan licht. Foto’s op barietpapier kunnen beter tegen licht en zijn daarom meer geschikt om thuis ingelijst op te hangen. Kleurenfoto’s zijn het meest kwetsbaar, omdat licht direct op de pigmenten inwerkt. Foto’s kunt u beter niet in op een wand hangen waar veel zonlicht op schijnt. Helemaal onverstandig is het om ze aan direct zonlicht bloot te stellen. Foto’s kunnen beter niet te lang hangen. Beter is het om eens in de zoveel tijd iets anders op te hangen en de foto in een ladekast op te bergen, waardoor er geen licht bij kan komen.

Glas- en celluloidnegatieven

Glasnegatieven zijn zeer kwetsbaar en mogen niet met de vingers worden aangeraakt. Vingerafdrukken zijn moeilijk te verwijderen zonder het negatief te beschadigen. Door het dragen van katoenen handschoenen kan deze schade voorkomen worden.

Het in goede staat bewaren van negatieven vraagt zeer specifieke klimaatomstandigheden. Zwart-witnegatieven worden bewaard bij een temperatuur van 15 C° en kleurennegatieven bij een temperatuur van 0 tot -5° Celsius. Deze bewaarcondities zijn voor thuis niet of moeilijk te realiseren. Bijgevolg gaat de kwaliteit van het negatief achteruit.

Als u accepteert dat de kwaliteit van negatieven achteruit gaat, kunt u het proces vertragen door ze te beschermen tegen te veel licht. U kunt ze het best bewaren in een kast of lade, in een droge omgeving. U kunt van een negatief ook een afdruk (laten) maken en daarna van deze afdruk een nieuw negatief (laten) maken.

Als u bijzondere negatieven heeft waarvan de kwaliteit niet mag achteruit gaan, dan is het beter deze negatieven te digitaliseren met een negatiefscanner. Bewaar het digitale bestand op de harde schijf als raadpleegbestand. Gooi uw negatieven na het digitaliseren niet weg, maar draag ze over aan een instelling die de negatieven in betere klimatologische omstandigheden kan bewaren.

Glasnegatieven verpakt u het beste per stuk in een enveloppe zonder plakrand. Om een breuk te voorkomen kunnen glasnegatieven of dia’s tussen glas rechtopstaand in (zuurvrije) dozen worden bewaard. Stop niet teveel glasnegatieven in een doos, omdat er dan te veel spanning op het glas komt en er glasbreuk kan ontstaan. Zorg dat in de dozen tussenschotjes zitten, zodat er luchtcirculatie mogelijk is. Dit voorkomt schade.

Celluloidnegatieven gaan per strip in een transparante hoes van een plasticsoort zonder weekmakers (polyester, polypropyleen of polyethyleen). Schrijf met een watervaste stift op de hoes wat het onderwerp is. Deze stiften zijn verkrijgbaar bij een tekenspeciaalzaak. Een groot aantal hoezen met negatieven kunt u het beste bewaren in een zuurvrije doos met een ringband zonder weekmakers. Deze dozen zijn verkrijgbaar bij Jansen-Wijsmuller & Beuns B.V. Zorg dat de doos staand wordt opgeborgen, zodat alle hoezen daarin horizontaal naar beneden hangen.