content

Openbaarheidsmaand 2018: de Westerborkkaarten in het politiearchief

24 januari 2018

Van talloze archieven schuift in 2018 de openbaarheidsgrens een jaartje op. Onder de dossiers die nu zijn vrijgegeven bevindt zich de arrestantencorrespondentie tot en met 1942 uit het archief van de Gemeentepolitie. Daartussen zitten 37 zogenoemde ‘Westerborkkaarten’ met de gegevens van 500 Joden die in het najaar van ’42 zijn opgepakt en naar kamp Westerbork zijn overgebracht.

Tijdens de oorlog registreert de Rotterdamse politie de gegevens van arrestanten op zogenaamde opnamekaarten. Soms verwijst een nummer op de kaart naar een ander dossier in het politiearchief, dat briefjes bevat over bezoek of juist een verbod om bepaalde mensen toe te laten tot de arrestant. Deze administratie uit de oorlogstijd is bijzonder, omdat ze laat zien hoe allerlei Duitse maatregelen in de praktijk uitpakken. Dit geldt speciaal voor de Joodse bevolking, die gaandeweg steeds minder vrijheid krijgt en uiteindelijk moet vertrekken uit Rotterdam.

Joden in Rotterdam

Israëlitisch Weeshuis aan de MathanesserlaanRotterdam heeft vlak voor de oorlog een van de grootste Joodse gemeenschappen van Nederland. Na de Duitse inval in 1940 worden de rechten van Joodse burgers gaandeweg ingeperkt. Reizen wordt hen verboden, net als handelen op een markt, lid worden van een vereniging of bezoeken van een bioscoop. Met het invoeren van een Jodenster in mei ’42 en dragen van identiteitspapieren met een ‘J’ is de stigmatisering compleet.
In juli 1942 beginnen de eerste transporten naar Westerbork, een doorgangskamp in Drenthe. Daarvoor moeten Joden zich na een oproep melden bij Loods 24 op Feijenoord, een plek in het havengebied waar weinig pottenkijkers komen en de treinen naar Westerbork vertrekken. In het najaar volgen meer transporten, maar gaandeweg melden zich steeds minder Joden. De politie gaat daarop razzia’s houden, wetende dat Joden ’s avonds thuis moeten zijn.

Opnamekaarten Westerbork

In het nu openbaar geworden arrestantenbestand uit 1942 zijn 37 opnamekaarten aangetroffen onder de titel ‘Westerbork’. Achterop deze opnamekaarten staan lijsten met bijna 500 Joodse slachtoffers, die zijn tussen 29 augustus en 7 december 1942 zijn opgepakt en vervolgens  naar Westerbork zijn overgebracht. De ‘Westerborkkaarten’ bevatten naast naam en adres, ook geboortedatum en -stad en soms de naam van echtgenoot(ote) of een beroep. Deze kaarten laten zien dat vaak hele families tegelijk zijn opgepakt. Dat geldt bijvoorbeeld voor het Rotterdamse meisje Keetje Levit dat samen met haar moeder en oma in Stolwijk wordt gearresteerd.

Keetje Levit

Op 27 oktober wordt er om 8 uur ’s ochtends aangebeld op hun onderduikadres in Stolwijk onder Gouda, waar ze via de illegaliteit zijn ondergebracht. De Goudse politieman Arie Oudenaarden staat met zijn collega Van der Vlies aan de deur van de boerderij van veeboer Smink om de familie Levit te arresteren. Ze geven hen geen tijd om koffers te pakken. De boer moet diezelfde dag naar het politiebureau in Gouda komen om wat kleding voor hen te brengen. Boer Smink wordt ook gearresteerd en geslagen door agent Oudenaarden omdat hij Joodse onderduikers heeft verborgen. Via kamp Amersfoort wordt hij naar kamp Vught gestuurd. Daar overlijdt hij op 20 januari 1943, aldus de getuigenis van zijn vrouw Smink-Van Dam.

Via het weeshuis op transport

Reiskosten WesterborktransportenKeetje gaat nog diezelfde dag met haar moeder Jetje Levit-van Zanten en haar oma Paulina Levit-van der Stam naar het centrale politiebureau Haagseveer in Rotterdam. In het dossier staat een verkeerd gespelde naam: ‘Kathe’, een naam die bekender is voor Duitsers. Keetje gaat tijdelijk naar het Israëlitisch Weeshuis aan de Mathenesserlaan. Het is namelijk gebruikelijk om ouders en kinderen te scheiden tot het moment dat verder transport geregeld is. De familie moet alle bezittingen afstaan. Vanuit een speciaal fonds, gevuld met geld van gearresteerde Joden, worden later de reiskosten betaald ( fl.7,50 per persoon). Op 4 november worden moeder en oma naar de kelder van het politiebureau gebracht. Op diezelfde datum worden ze samen met Keetje door de transportdienst van de vreemdelingenpolitie via Amsterdam naar Westerbork gebracht.

Joods Kindermonument

In Westerbork zijn zij de eerstvolgende dinsdag op de trein gezet. Op 13 november 1942 komen Keetje, moeder Jetje en oma Pauline in Auschwitz aan en zijn ze direct omgebracht. Vader Michiel heeft hen een aantal maanden overleefd, vermoedelijk omdat hij nog een poos gewerkt heeft. Keetje Levit staat op het Joods Kindermonument, een monument met 686 namen van Joodse slachtoffers tot en met 12 jaar aan het Stieltjesplein.

Bronnen:

Politiearchief 63, inv. Nr. 3500 Opnamekaarten 1942 Wenn – Witm, zie bijgevoegde bijlage
Poltiearchief 63, inv.nr 3158 Dagrapporten vreemdelingen- en transportdienst, lijst 308 van 4 november 1942
Politiearchief 63, inv.nr. 3753, dossiers van om politieke redenen gearresteerden, arrestantennr Keetje Levit 2054a
Archief Nederlands Israelitische Gemeente 29, inv.nr 1044
Nationaal Archief, Ministerie van Justitie, Centraal Register Bijzondere Rechtspleging inv.nr. 218