content

Openbaarheidsmaand: de hond voor de wagen spannen

18 januari 2017

Van talloze overheidsarchieven schuift in 2017 de openbaarheidsgrens een jaartje op. In het Politiearchief (Gemeentepolitie Rotterdam, archiefnr. 63, inv.nr 956) zit een dossier over ‘trekhonden’ uit 1941, dat nu voor iedereen is in te zien. Deze stukken vertellen iets over onze veranderende omgang met huisdieren.

Hondenkar op de Coolsingel. Foto Henri Berssenbrugge (1908)Naast vervoer per paard en wagen was al vanaf de 17de eeuw de hondenkar in gebruik. De hondenkar werd vooral populair in de 19e en 20ste eeuw bij postbezorgers, marskramers, melkboeren en allerlei kleine ambachtslieden. In het leger werd de hond gebruikt als trekdier voor mitrailleurwagens. Hondenkarren waren klein en wendbaar en pasten beter in de smalle stadsstraten dan grote paardenkarren. Honden waren daarnaast goedkoop in aanschaf en onderhoud. Nog begin twintigste eeuw waren er 1675 hondenkarren in het straatbeeld.

Om het lot van de honden te verbeteren trad op 1 september 1911 de Trekhondenwet in werking. Houders van trekhonden waren voortaan vergunning-plichtig en moesten zich laten registreren. In 1927 kwam er een keuring van trekhonden en inspecteurs zagen toe op naleving van de wet, daartoe aangespoord door de Anti-Trekhondenbond. Opgericht in 1912, later omgedoopt tot Bond tot Bescherming van Honden, stelde deze bond zich als doel het afschaffen van de trekhond.

Wat betreft de hondenkar: deze moest zijn uitgerust met een drinkbak en een ligplank. Er waren voorschriften wat betreft het vervaardigen en de afmetingen van het "hondentuig". De hond moest minimaal één jaar oud zijn en een minimale schofthoogte hebben van 60 cm (tot 1 sept. 1914 was dat minimaal 50 cm). Er mochten maximaal drie honden voor de kar.

De hondenkar verdween in de loop van de 20e eeuw steeds meer uit het straatbeeld. De opkomst van transportfietsen, motorfietsen en de auto maakte het gebruik van honden als trekkracht overbodig.

Hondenkarren in Rotterdam in de Tweede Wereldoorlog

Wegens schaarste aan vloeibare brandstoffen moest het personenautoverkeer in de Tweede Wereldoorlog sterk worden ingekrompen. Het overige wegvervoer, zoals bussen, vrachtwagens en taxi's, werd op gang gehouden met alternatieve aandrijftechnologieën zoals gasgeneratoren die op hout, antraciet, turf, carbid en gas werden gestookt. Ook de hondenkar beleefde een renaissance. Volgens opgave in het Politiearchief waren er in 1941 137 hondenkarren in Rotterdam. Het was dus geen ruim gebruikt vervoermiddel, maar ongewoon was het niet. Ter vergelijking: in 1963, bij afschaffing van de hondenkar, waren er zo’n 30 tot 40 in het hele land.
In augustus 1941 wendde de Neutrale Bond van Lichamelijke Gebrekkigen van aller gezindten zich met een verzoek tot de politie om hun lid mejuffrouw Joh. v/d  Horst - de Vos (48 jaar oud) Woelwijkstraat 94, toe te staan om een hond te gebruiken om haar invalidewagen voort te bewegen. Ze had zelf ‘geen kracht om de permissie aan te vragen.’ De vorige vergunning was haar om onbekende redenen door de politie afgenomen. En wat meldde de dienstdoende inspecteur van politie? Een mooi geval van oer-Hollands gedogen. Het afgeven van een vergunning was niet mogelijk, want in strijd met het trekhondenbesluit. Aan mevrouw was een hond toegewezen ter bewaking van haar rijwiel. ‘Verder is het geen bezwaar als die hond af en toe eens aan het rijwiel trekt.’ Zo kwam de spreekwoordelijke ‘mevrouw splinter’ door de gure ‘oorlogswinter’.

Tegenwoordig is een ‘hondenkar’ een karretje om achter een fiets te haken, waarin desnoods de hond naast de kinderen plaats mag nemen.