content

Openbaarheidsmaand: de mislukte emigratiepoging van Abraham Tuschinski

26 januari 2017

Van talloze overheidsarchieven schuift in 2017 de openbaarheidsgrens een jaartje op. In het Politiearchief (Gemeentepolitie Rotterdam, archiefnr. 63, inv.nr 3038a) zit een dossier over een opmerkelijke fraudezaak uit het begin van de Tweede Wereldoorlog. Daarbij werd Joodse burgers die naar de Verenigde Staten wilden emigreren voorgespiegeld dat zij tegen betaling een voorkeursbehandeling konden krijgen. Onder de slachtoffers de Rotterdamse bioscoopondernemer Abraham Tuschinski en zijn vrouw.

Abraham Icek TuschinskiAl vóór het uitbreken van de oorlog probeerden tientallen Joden te emigreren naar Amerika. Zij lieten zich daarvoor inschrijven bij het Amerikaanse consulaat aan de Wijnhaven. Nadat het consulaat na het bombardement van 14 mei 1940 door brand was verwoest, werd het op 24 juni 1940 heropend aan de Westersingel. Vóór de heropening had het consulaat laten weten dat iedereen die voor emigratie ingeschreven had gestaan, opnieuw een aanvraag moest indienen. Wie over een bewijs beschikte al ingeschreven te staan, was hiervan vrijgesteld.

Vooral de datum van inschrijving was daarbij van belang, want alleen de mensen met een inschrijving van vóór 1939 maakten kans op een ‘snelle ‘emigratie. Voor wie zich daarna had ingeschreven, was de wachttijd al opgelopen tot enkele jaren.

Formulier no. 6

Om aan te tonen dat men al in 1938 stond ingeschreven moest men in bezit zijn van een zogeheten formulier no. 6. Met het bewijs kon een inreisvisum voor de Verenigde Staten worden verkregen, wat voor de Duitsers weer een voorwaarde was om een Ausreisevisum te verstrekken. Zo’n Ausreisevisum was nodig om officieel het land te mogen verlaten. Maar niet iedereen had een formulier no. 6 ontvangen en in andere gevallen was het bij het bombardement verloren gegaan.

Het zwaar gehavende consulaatsarchief en de toeloop van mensen die het land wilden verlaten, maakten het aantrekkelijk om te frauderen met dit belangrijke formulier. Het vervalsen was namelijk een lucratieve bezigheid. Sommige aspirant-emigranten waren bereid duizenden guldens te betalen voor een toezegging van een inschrijving vóór 1939. Voor enkele Rotterdamse consulaatmedewerkers was die verleiding te groot: met enkele handlangers gingen zij knoeien met handtekeningen en documenten.

In Auschwitz vermoord

Tussen mei en december 1940 probeerden tientallen mensen met vervalste papieren weg te komen. Onder degenen die zo uitreisvisum hoopten te bemachtigen, waren ook bioscoopondernemer Tuschinski en zijn vrouw. De fraude kwam echter al snel aan het licht. De Nederlandse politie ondervroeg daarop alle betrokkenen in deze zaak, inclusief de mensen die zo’n bewijs hadden gekocht, op verdenking van fraude en valsheid in geschrift of uitlokking daartoe.

Overigens hadden de joodse aanvragers weinig aan hun duur verworven, vervalste formulier no. 6. Geen van hen kreeg het felbegeerde inreisvisum voor de Verenigde Staten. Ook Tuschinski niet. Hij en zijn vrouw Mariem Estera Ehrlich werden op 17 september 1942 in Auschwitz vermoord.