Uw zoekacties:
x1270 Archieven van de ambachten en gemeenten Ridderkerk, Rijsoord en Strevelshoek
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

1270 Archieven van de ambachten en gemeenten Ridderkerk, Rijsoord en Strevelshoek
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
Zoektips!

Wildcards kunnen het zoeken vergemakkelijken:

  • Een ? (vraagteken) vervangt een letter
  • Een * (sterretje) vervangt een aantal letters
  • Door een $ (dollarteken) voor een zoekterm te zetten, zoekt u naar woorden die op elkaar lijken.

Meer zoektips vindt u hier.

 
 
Archiefvorming
Geschiedenis van de archiefvormer
1270 Archieven van de ambachten en gemeenten Ridderkerk, Rijsoord en Strevelshoek
Archiefvorming
Geschiedenis van de archiefvormer
Titel:
Geschiedenis van de archiefvormer
Geschiedenis van de bedijking
De gegevens over het begin van de bedijking zijn schaars. Aangenomen wordt, dat de eerste bedijking in het begin van de dertiende eeuw moet hebben plaats gevonden.
Bij oorkonde van 20 februari 1289 gaf graaf Floris V een handvest betreffende het onderhoud van de dijken. Riederwaard was een eiland, gelegen tussen de Nieuwe Maas en de Noord, de Waal en de Oude Maas. Een klein gedeelte van de Riederwaard brak op Onzer Vrouwendag Purificatio (2 februari 1373) in bij Bolnes en Barendrecht. Hertog Albrecht stelde een ordonnantie vast voor de bedijking van de Zwijndrechtse Waard en Riederwaard op 8 februari 1375. Daarbij verleende hij enige voorrechten, terwijl zij, die ter zake van hun belasting met schulden en schade door de overstroming geleden, onmachtig waren om aan hun verplichtingen te voldoen, vrijdom ontvingen van het betalen van hun schulden, totdat het land weer bedijkt was. Van de bedijking kwam echter niets terecht, want de zaak liep over te veel hoofden en eiste te zware offers van de ambachtsheren en de ingezetenen. Enkele bijeenkomsten met de ambachtsheren werden door de graaf belegd om tot een raming van de kosten te komen.
In 1389 droeg de ambachtsheer Willem van Duvenvoorde, Heer van Oosterhout, zijn aandeel over aan Paulus van Haastrecht, baljuw van Zuid-Holland. In 1403 gaf graaf Albrecht, hertog van Beieren, "de gronden tusschen daer Riederkerck plach te staen ende den cleijnen Waeldam" ter bedijking uit. Hij maakte daarbij gebruik van het recht van de landsheer verlaten land weer aan zich te trekken. De graaf regelde het dijkbestuur, stelde de dijkgraaf aan. De hoogheemraden werden voor één jaar door de ingelanden gekozen. De eerste dijkgraaf was Harman Vinck "totter tijt", dat hij de vijf en vijftig Wilhelmusschilden had ontvangen, die hij voor de zaak der bedijking van Riederwaard had uitgegeven. Op 18 november 1421 was de Sint Elizabethsvloed.
Op 10 januari 1424 gebood Jan van Beieren allen, die land meenden te hebben in Riederwaard, bij hem en zijn Raad in Den Haag te komen, om te besluiten "het land van Riederswaart om des gemeenen oirbairs wille te bedijken". Kwamen zij niet, dan zou hij "oirbairs daarmede doen, so als 't met rechte an hem gekomen was en het land uitgegeven te bedijken tot eenen verschen corenlande allen den genen, die 't aannemen wilden". De ramp was spoedig hersteld. De bedijking van Nieuw-Reijerwaard geschiedde in de jaren 1441 tot 1450 met hulp van aanzienlijke ingezetenen van de stad Dordrecht. Op 18 september 1442 werd, met toestemming van de ambachtsvrouwe Margriete van Comene, door het college van dijkgraaf en hoogheemraden beloofd, dat "alle gewasse van koorne ende van zade, dat in het nieuwe land van Ridderambacht wassen zou, te Dordrecht en nergens anders ter markt zou worden gebracht".
Na de hermeting van de polders in het jaar 1452 werd door het college van dijkgraaf en hoogheemraden al het mogelijke gedaan om de landerijen tegen het zee- en rivierwater te beveiligen en ze door bemaling in bruikbaarheid te doen winnen. Het had de bevoegdheid keuren te leggen, zowel gewone als bijzondere. Als grondslag voor de verdere voorschriften vaardigde het college in vereniging met Oost-IJsselmonde op 16 juni 1633 een Generale Keur uit, welke uit 32 artikelen bestond. Deze Generale Keur, die voortaan als wetboek gold, werd enkele malen herzien, het laatst op 9 juni 1784, en bleef van kracht, totdat in de 19e eeuw nieuwe algemene voorschriften voor waterschappen en polders werden gegeven.
Ambachtsheren
Bij charter van 17 januari 1283 stond graaf Floris V de grote en kleine tienden in Riederwaart, tussen Boesselines Werve en Everockersloet, in eigendom af aan Diederic, heer van Alcmade. Hieruit is af te leiden, dat hij hoogstwaarschijnlijk één van de ambachtsheren in Riederwaert is geweest. Riederwaert of Riederkerke met een kerk aan de Merwede behoorde tot de lenen van de heerlijkheid van de Lek. Na de dood van Hendrik van de Lek werden op 27 april 1342 de goederen van de Lek, waaronder het gerecht van Ridderkerk, door Willem IV, graaf van Henegouwen, verkocht aan Jan II van Polanen.
Van 1376 tot 1389 was Willem van Duvenvoorde, heer van Oosterhout ambachtsheer. Het merendeel van zijn goederen legateerde hij aan Jan van Polanen, heer van de Lek. Zijn dochter, Johanna van Polanen, huwde in 1403 met Engelbert van Nassau, die heer van Ridderkerk werd.
Hij sloot zich in 1418 bij de partij van Jacoba van Beieren aan en verloor daardoor alle goederen. In 1421 wint hij het proces in verband met zijn terugkeer tot de partij der Kabeljauwen. Van een heerlijkheid Ridderkerk wordt dan niet gesproken. In 1427 geeft Philips van Bourgondië de ambachtsheerlijkheid Ridderkerk in leen aan Roelandt van Uutkerken, heer tot Heestert en Heemsrode. Op 16 november 1441 gaat de heerlijkheid over in handen van Vrouwe Margriete van Comene. Op 12 oktober 1446 droeg zij haar leen over aan haar dochter Johanna, die gehuwd was met de heer van Borselen van der Veere. Op 20 oktober 1446 regelde Margriete van Comene de justitie in haar gebied. Zij bepaalde, dat jaarlijks door haar dijkgraaf met haar gewaarden rechter en schout op Sint Pietersdag zouden gekozen worden zeven heemraden binnen bans, die elk tot één morgen lands of meer gegoed moesten zijn. Bij het einde van elk jaar moesten ij aan de hoge heemraden in geschrifte verslag doen van alle kopen en verkopen, erfenissen en onterfenissen (overdrachten) in dat jaar geschied, opdat de hoge heemraden "dat voortzetten mogen en teijckenen in des lands bouck".
Op 15 november 1494 komt de heerlijkheid, volgens een contract tussen Philips, bastaard van Bourgondië, gehuwd met Anna van Borsselen, aan Walraven van Brederode, gehuwd met Margrieta van Borsselen, vrouwe van Cloetinge. Francoise van Brederode, ambachtsvrouwe, huwt in 1525 met Hendrik van Merode, heer van Petershem, Duffel, Perweis en Westerloo. De nakomelingen uit dit geslacht zijn tot 1704 ambachtsheren van Ridderkerk geweest. Door Maurits Lodewijk, graaf van Nassau La Lecq werd, uit hoofde van diens oud recht op de ambachtsheerlijkheid, deze op 11 mei 1721, behoudens verrekening van de verkoopwaarde met de erven van de graaf van Merode, beleend aan Mr Cornelis Groeninx, bewindhebber van de Oost-Indische Compagnie en oud-schepen van de stad Rotterdam. Over het recht van deze belening ontstond evenwel verschil. De uitspraak werd opgedragen aan de Staten van Holland en West-Friesland.
Op 25 april 1726 volgde de uitspraak, dat Mr Cornelis Groeninx de heerlijkheid rechtstreeks zou ontvangen, nadat vooraf den Staten hulde en manschap was gedaan. De zichtbare invloed van de ambachtsheer op het plaatselijk bestuur verdween in 1795. De grondwet van 1798 verklaarde alle eigenlijke heerlijke rechten voor altijd vernietigd. Alle rechten, uit het leenstelsel afkomstig, werden vervallen verklaard, waarvoor schadevergoeding in het vooruitzicht werd gesteld. De Staatsregeling van 1801, die als een reactie op de grondwet van 1798 kon worden beschouwd, handhaafde iedere ingezetene bij de vreedzame bezitting en het genot van zijn eigendommen. Alle leenroerige goederen werden omgezet in eigendom volgens burgerlijk recht.
In 1810 werd ons land bij Frankrijk ingelijfd. Vanaf die tijd werd bij Keizerlijke decreten geregeerd.
Na de afwerping van het Franse juk in 1813 en de terugkeer van de Prins van Oranje, werden door de eigenaren van voormalige heerlijkheden requesten aan de Kroon ingezonden met het verzoek om in de rechten en voordelen, die daaraan oudtijds verbonden waren geweest, te worden hersteld. Bij Souverein Besluit van 26 maart 1814 no. 20 werden provisionele bepalingen wegens de toekomstige uitoefening van de voormalige heerlijke rechten vastgesteld. Daarin werd overwogen, dat "zulk een volledig herstel in genen dele overeen te brengen zou zijn met de tegenwoordige omstandigheden van het Vaderland, en met die algemene gronden van regering, aan welker in achtneming deszelfs toekomstige rust en voorspoed ten nauwste verbonden zijn; willende desniettemin, ter tegemoetkoming van de benadeelde eigenaren, al zulke provisionele bepalingen maken, als, te dezen, behoudens het belang van de Staat in aanmerking kunnen komen". Zo werd bepaald, dat "de voordracht van schouten, secretarissen en bestuurderen van gemeenten of polders in de voormalige heerlijkheden, alwaar deze of soortgelijke ambtenaren door de eigenaren of heren benoemd werden, door deze eigenaren aan Ons geschieden; de rechten van jacht, visserij, pandgeld en veren door de eigenaren der heerlijkheden behouden werden, onder speciale onderwerping echter van door Ons te stellen beperkende bepalingen; het recht van collatie of beroeping van predikanten bleef onbepaald aan de voormalige eigenaren toegekend, daar waar de predikanten uit de kerkelijke fondsen, zonder subsidie uit 's lands kas, bezoldigd konden worden". Het toezicht op de veren ging bij Koninklijk Besluit van 17 december 1819 op het provinciaal bestuur over.
In de additionele artikelen van de grondwet van 1848 werd in artikel 4 bepaald, dat de heerlijke rechten betreffende voordracht of aanstelling van personen tot openbare betrekkingen zijn afgeschaft. De opheffing der overige heerlijke rechten en de schadeloosstelling der eigenaren konden door de wet worden vastgesteld en geregeld. De grondwet van 1848 maakte een einde aan alle overheidsgezag in particuliere handen. De oude heerlijke rechten bleven daardoor onaangetast. Zo werd ingevolge artikel 13 van het reglement op het bestuur ten plattelande een recognitie geheven voor het heerlijke recht betreffende voordracht of aanstelling tot gemeentelijke betrekkingen. Bij circulaire van 2 maart 1850 gaf de gouverneur der provincie Zuid-Holland aan, dat geen recognities meer mochten worden geheven, daarin verwijzende naar de grondwet van 1848. Ook aan voordrachten tot leden der polderbesturen, opgemaakt door de eigenaren der ambachtsheerlijkheden, waartoe de polders behoorden, kon, ingevolge de grondwet van 1848, geen gevolg meer gegeven worden. Bij Koninklijk Besluit van 16 februari 1815, nr. 58 was als eerste hoofdbepaling aangenomen, dat de daarbij bedoelde eigenaren van heerlijkheden gerechtigd waren om personen, belast met de redding en bewaring van gestrande goederen, aan de Koning ter agreatie voor te dragen. Dit recht moest ook, op grond van de grondwet van 1848, voor afgeschaft worden gehouden. Bij Koninklijk Besluit van 24 januari 1850, nr. 2 werd het Besluit van 1 februari 1815, nr. 15 inzake de uitoefening van het collatierecht bij de beroeping van predikanten, overeenkomstig het verzoek van de Algemene Synode der Nederlands Hervormde Kerk, ingetrokken. Door de ambachtsheren werden ook tienden geheven.
Omdat het wenselijk geoordeeld werd de afkoopbaarstelling van alle voor de invoering van het Burgerlijk Wetboek gevestigde schuldplichtigheid van tienden of van enige andere evenredige hoeveelheid van vruchten te regelen, kwam de wet van 12 april 1872 Stbl. 25 tot stand. Bij de wet van 16 juli 1907 Stbl. nr 222 werden alle tienden afgeschaft, omdat het algemeen belang zulks vorderde. Onder tiendplichtigheid verstond deze wet iedere als zakelijke last op onroerend goed rustende schuldplichtigheid van een evenredige hoeveelheid van vruchten of een daarvoor in de plaats komend geldelijk bedrag. Het bedrag van de tiendrente werd door de zorg van de Minister van Financiën bij ieder daaraan onderworpen perceel in de kadastrale legger aangetekend. Zo is er van de heerlijke rechten niet veel overgebleven.
De veerrechten zijn echter nog blijven bestaan.
Het bestuur ten plattelande
Ancien régime
Een heerlijkheid ontstond, doordat de landsheer een deel van zijn macht uit handen gaf; hij verleende immuniteit ten opzichte van dat gebied, dat wil zeggen: hij deed geheel of ten dele afstand van het gezag, van zijn regeermacht erover, maakte een deel van zijn gebied voor zijn regeermacht immuun. Degene, die de immuniteit verwierf, was heer van een heerlijkheid. Het heerlijk recht is dus het recht van de heer van een plaats om binnen een zeker gebied regeermacht uit te oefenen. De ambachtsheer woonde vaak niet in zijn ambacht en stelde een schout aan, die het hoofd van de plaatselijke regering in het ambacht was. Wanneer de schout zijn aanstelling van de ambachtsheer ontvangen had, was hij verplicht deze aan de baljuw van Zuid-Holland te Dordrecht te tonen. Hij ontving van de baljuw de lastbrief (zgn. ban) en moest deze elke drie jaar laten vernieuwen. In handen van de baljuw legde hij de eed af en beloofde alle veertien dagen ter Hoger Vierschaar te verschijnen om verslag uit te brengen van al wat er in zijn rechtsgebied voorgevallen was, dat voor de Hoge Vierschaar berecht diende te worden.
De baljuw werd door de graaf, later door de stadhouder, uit een nominatie van drie personen, die door de stad Dordrecht werd opgemaakt, aangesteld. In de Hoge Vierschaar hadden acht welgeboren mannen of mansmannen uit de stad Dordrecht en drie van het platteland zitting. In dit college waren de leden twee jaar in bediening, waarvan jaarlijks op 1 mei de helft aftrad. De nieuwe leden werden uit een voordracht van drie personen door de stadhouder gekozen, waarna het college ze benoemde. De secretaris van de Hoge Vierschaar werd vroeger aangesteld door de rekenmeester van de grafelijkheidsdomeinen, doch na het vernietigen van de Rekenkamer, door Gecommitteerde Raden. Verder behoorde tot dit college een raad en een algemene rentmeester, die eveneens door Gecommitteerde Raden werden aangesteld. De gerechtsboden, kolfdragers genoemd, waren vier in getal, drie gewone en één buitengewone.
De gewone vergaderingen van de Hove en Hoge Vierschaar van Zuid-Holland plachten gehouden te worden op maandag en vrijdag. Daarvoor werden alle criminele zaken, onder haar rechtsgebied voorvallende, gebracht en gevonnist. De plaatselijke Lage Vierschaar berechtte dagelijkse zaken, zoals schuldvorderingen, voorwaarden (huwelijkse voorwaarden), slechte smarten (eenvoudige mishandeling), strafbare feiten, waarop geldboeten staan. De rechtbank heette Vierschaar, omdat vier verschillende personen bij het gerechtsgeding betrokken waren: de rechter, de aanlegger, de verweerder en de schout, die recht eiste.
Voor het dagvaarden van personen en voor het behulpzaam zijn bij de uitvoering der vonnissen beschikte het gerecht over gerechtsboden. Zij werden roedragers genoemd, omdat zij bij de uitoefening van hun werk een doornstokje of roede droegen als teken van hun waardigheid. Bij het in acht nemen van allerlei formaliteiten, welke verband hielden met de handhaving der orde in de Vierschaar, trad de schout op met een eis en wezen de schepenen, bij monde van de oudste "voorschepen" een eis toe. De "voorschepen" verving ook de schout. In de Middeleeuwen werd de schout als plaatsvervanger van de heer aangeduid als "gewaard rechter". Rechter was oudtijds de benaming, waarmee zowel de schout als de baljuw aangeduid werd; hij was dus niet de ambtenaar, die recht sprak, maar die recht eiste. Het was een oud gebruik, dat de schout een herberg hield, waar rechtszittingen en andere openbare bijeenkomsten gehouden werden. De hogere jurisdictie van de heerlijkheid Ridderkerk behoorde tot het Hof van Zuid-Holland. In alle andere zaken werd het gerecht uitgeoefend door een college, bestaande uit een schout, tevens secretaris, zeven schepenen en een gerechtsbode.
Dit college werd niet jaarlijks van personeel verwisseld, maar gecontinueerd. De taak van de schout en de schepenen was de voluntaire en contentieuse rechtspraak en verschillende, thans notariële, werkzaamheden. De schepenbanken berechtten de kleinere overtredingen strafrechtelijk. Daar slechts kleine geldboeten opgelegd konden worden,werden ze als civiele rechtspraak beschouwd.
Het heemraadschap van Oud- en Nieuw-Reijerwaard werd bestuurd door een dijkgraaf en vijf heemraden. Ingevolge een verdrag tussen de ambachtsvrouw van Ridderkerk en de ingelanden, aangegaan in 1442, moesten altijd drie te Dordrecht en twee binnen de dijkagie wonen, gemeenlijk genoemd stads- en plattelandsheemraden. De dijkgraaf werd aangesteld door de ambachtsheer. Volgens het handvest van Graaf Albrecht moest de dijkgraaf: a. binnen het
De heemraden moesten minstens acht morgen land bezitten; ze werden voor slechts één jaar gekozen, hoewel ze opnieuw verkiesbaar waren. De vergaderplaats aan de Waaldam is door Philips van Bourgondië op verzoek van de Dordtse landeigenaren in het jaar 1426 naar de stad overgebracht, "vermits Sint Pietersdag in het winterseizoen valt en het alsdan ongelegen, onbequam ende ongeneugelijk is te reizen". De heemraden werden gekozen door de gekwalificeerde ingelanden, die dok de penningmeesters verkozen, zoals bij de Hoge Raad in het jaar 1732 werd verstaan. De taak van het college was het bestuur over de dijken, enz. Als lagere ambtenaren waren er een klerk of secretaris en een bode. De schout, ambachtsbewaarders en schepenen vormden de magistratuur. Aan schout en ambachtsbewaarders waren de meer administratieve, de bestuurszaken, toevertrouwd, hetzij aan hen alleen, hetzij aan hen te zamen, met schepenen.
Hun taak lag zuiver op waterschapsgebied. Het waterstaatsbestuur was niet gescheiden van het andere bestuur.
Franse tijd
Op 6 maart 1795 werd door de provisionele representanten van het volk van Holland aan de plaatselijke regeringen een exemplaar van de publicatie, houdende provisionele voorziening omtrent de rechten der wettige eigenaren van vrije en ambachtsheerlijkheden, toegezonden. Daarin werd bepaald, dat: a. aan ingezetenen van alle steden en dorpen het recht werd toegekend om hun stedelijke en dorpsregeringen te verkiezen; de verkozenen, die in een bijzondere eed stonden van eigenaren van heerlijkheden, werden van die eed ontslagen; b. de ambtenaren, die geen deel hadden aan de plaatselijke regering, voortaan door de stedelijke of dorpsregering werden aangesteld.
Na 1795 werd het bestuur van Ridderkerk gevormd door schout, schepenen en municipaliteit. De municipaliteit werd door de stemgerechtigde burgers voor de tijd van één jaar gekozen. Zo werden de stemgerechtigde leden opgeroepen tegen woensdag 5 april 1797 om vier uur in het Rechthuis van Ridderkerk te verschijnen ten einde "de posten der leeden van gem. Municipaliteit in haare schoot te zien nederleggen, en om alzoo dadelijk over te gaan tot het opnieuw benoemen van Ridderkerks Vertegenwoordigers, het vertrouwen hunner Medeburgeren waardig". De nieuwe aangestelde leden legden in handen van de oude Municipaliteit de ambtseed af. De rekening van de ordinaire en extra-ordinaire verpondingen werd door de gaardermeester tegenover schout en schepenen gedaan "met openen deuren en vensteren".
De Staatsregeling van 1798 bepaalde, dat gemeenten administratieve onderdelen van de éne en ondeelbare Staat waren. Een nader reglement op de inrichting van gemeentebesturen zou worden uitgevaardigd. Geen scheiding werd er gemaakt tussen gemeente- en waterschapszaken. De schepenen waren nog met de rechtspraak belast. In 1800 werd door het Departementaal Bestuur van Schelde en Maas een exemplaar van de "algemeene manier van procedeeren in civiele en crimineele zaken" ter publicatie toegezonden. Eveneens vond in 1800 de verdeling der Republiek in districten en grondvergaderingen, vervat in de publicatie van het Uitvoerend Bewind van 16 mei 1799, plaats. De gemeente Ridderkerk werd aangewezen als de hoofdplaats van het 75e district. Een lid voor het Vertegenwoordigend Lichaam alsmede zijn plaatsvervanger moest worden verkozen. Als gevolg daarvan besloot het gemeentebestuur tot het houden van de grondvergaderingen en de districtsvergadering en een commissie aan te wijzen "om te examineeren de geloofsbrieven der kiezers".
Het dorpsbestuur ontving van het Uitvoerend Bewind een ontwerp-Staatsregeling, dat ten Rechthuize en ter Secretarie voor een ieder ter inzage lag. Van 1 tot 6 oktober 1801 was ter secretarie het publieke stemregister geopend, zodat "aan alle Burgers, Manspersoonen, 20 jaaren oud en volgens artikel 13 van de tegenwoordige Staatsregeling niet van de stemming uitgeslooten, gelegenheid zal worden gegeven om op het aangeboden ontwerp van Staatsregeling met Ja of Neen, hunne stem uit te brengen".
De Staatsregeling van 1801 wilde zelfstandige gemeenten, aan wier besturen, behoudens hoger toezicht, vrijheid van beweging werd gegund. Bepaald werd, dat ieder dorp zijn eigen gemeentebestuur had, ingericht op zodanige voet, als door iedere gemeente ter goed- of afkeuring aan het Departementaal Bestuur zou worden voorgedragen, mits gegrond zijnde op het beginsel van volkskeuze en een geregelde afwisseling. Voorts werd bepaald, dat iedere gemeente de vrije beschikking had over de huishoudelijke belangen en bestuur en daaromtrent de vereiste bepalingen maakte. Plaatselijke belastingen werden niet gemaakt dan in overleg met de gecommitteerden uit de gemeente, gekozen volgens een reglement, dat de goedkeuring van het Departementaal Bestuur behoefde. Alle plaatselijke belastingen moesten ter goed- of afkeuring aan voormeld Bestuur worden ingezonden.
De reglementen van 1801 bevatten bepalingen omtrent de inrichting der gemeentebesturen (dat is de zogenaamde instructie voor de gemeentebesturen), de verkiezing der gemeentebesturen en de verkiezing der bestuurders ter waarneming der zaken van de ingelanden, landeigenaren of geërfden. Omtrent de scheiding van gemeente- en waterschapsbestuur werd bepaald, dat alle werken, welke op kosten der ingelanden, landeigenaren of geërfden voor de polders, waterschappen en dijkcolleges gemaakt en onderhouden werden, beheerd zouden worden door enige personen, die daartoe door de geërfden gekozen waren. De invoering werd echter opgeschort, doordat het Vertegenwoordigend Lichaam tot vervroegde herziening der Staatsregeling besloot. Over het reglement van bestuur werd vanaf 17 tot 24 mei 1802 aan de stemgerechtigden gelegenheid gegeven in het stemregister hun gevoelen kenbaar te maken. Niemand van de stemgerechtigden had bezwaren ingebracht.
Op 28 juni 1802 verzond het Departementaal Bestuur van Holland een aanschrijving aan het gemeentebestuur, waarin verzocht werd een commissie voor te dragen tot het "ontwerpen van den voet en inrigting van het Gemeente Bestuur, bestaande buiten Ulieden zelve, uit de beste en kundigste ingezetenen van Uwe gemeente ten getale van niet meer dan negen en niet minder dan drie personen, naar mate van de volkrijkheid van Ulieder district".
Het reglement voor het Departement Holland bepaalde, dat het nieuwe gemeentebestuur binnen een maand een reglement voor de plaatselijke rechtbank diende te maken. De schout van Ridderkerk werd bij het besluit van het Departementaal Bestuur van Holland van 2 februari 1804 aangeschreven om het tegenwoordig bestaande bestuur uit naam van het departementaal bestuur "honorabel te ontslaan met dankzegging voor den ijver en trouw in het waarnemen van dezelve bewezen". Bij voornoemde resolutie werden de vijf nieuwe leden aangewezen en als zodanig geinstalleerd en door de schout beëdigd. Deze leden verklaarden na hun beëdiging, "dat zij voor het afleggen van denzelven eed niet verstaan willen worden dezelver posten, anders te hebben aangenomen dan onder beding, dat het gemeentebestuur dezer plaats worde aangevuld met nog twee leden, en alzo als van ouds worde gebragt tot zeven leden, dat de twee alzo nog aan te stellen leden op deze Dorpe en niet in de buitenbuurten woonagtig zijn". Het gemeentebestuur wendde zich tot het Departementaal Bestuur met het verzoek het aantal leden met twee uit te breiden, waarop goedgunstig werd beschikt. Tevens verzocht het gemeentebestuur vrijgesteld te worden van het vervaardigen van een reglement voor de civiele rechtbank en als schepenen te mogen fungeren. Het Departementaal Bestuur stelde een reglement vast en daarin werd bepaald, dat de civiele rechtbank te Ridderkerk zou bestaan uit zeven leden, die de naam van schepenen zouden dragen; de leden van het gemeentebestuur zouden tevens leden van de rechtbank zijn. Het reglement voor de gemeente Ridderkerk bepaalde o.a., dat de gemeente zou worden bestuurd door een college, bestaande uit vijf leden, welk college de titel zou voeren van het "Gemeentebestuur van Ridderkerk".
Bij het gemeentebestuur zou een schout civiel fungeren "om de plaatselijke keuren de politie consenteerende, te mainteneeren voor schepenen en om mede te staan over verkoopingen, verhuizingen, transporten, enz." Jaarlijks trad één lid op 1 november af, maar was opnieuw herkiesbaar. Dadelijk na het afleggen van de eed verkoos het gemeentebestuur een president voor de tijd van drie maanden. Ook droeg het gemeentebestuur zorg, dat door de ingelanden of de collegiën, welke zulks tot hiertoe bestuurd hebben, de straten, dijken, wegen en voetpaden behoorlijk werden onderhouden. De leden van het gemeentebestuur zouden "tot zoo lange de organisatie der rechterlijke macht niet zal zijn daargestelt" mede over civiele zaken recht spreken onder de naam van schepenen. Het invoeren van nieuwe plaatselijke belastingen geschiedde niet anders "als met overleg met Gecommitteerden uit de gemeente en onder approbatie van het Departementaal Bestuur". Voor de gerechtsbode werd op 5 april 1804 een instructie vastgesteld. Daarin werd o.a. bepaald, dat de bode gehouden zou zijn "alle zondagen, 's morgens voor de eerste kerktijd, zich te vervoegen ten huize van de schout teneinde te vernemen of enige biljetten, proclamatiën of resolutiën af te lezen zijn, zo ja, die op de gewone tijd en plaats of dan als hem zulks zou worden gelast, af te lezen en dezelve de volgende dag op het gewone aanplakbord aan het Rechthuis en verder ter plaatse, alwaar hem zou worden gezegd, aan te plakken". Hij stond ten dienste van de schout en de leden van het gemeentebestuur "hun met behoorlijk respect te behandelen en de beveelen van denzelven zonder tegenspraak spoedig ten uitvoer leggen". In handen van de schout legde hij de eed of belofte af.
De Staatsregeling van 1805 bracht in de bepalingen inzake de organisatie der gemeenten geen verandering. Met de invoering van het algemeen belastingstelsel (Staatsbesluit d.d. 12 juli 1805, nr. 3) zouden ophouden en vervallen de daarmede strijdige plaatselijke belastingen. Voor de invoering van plaatselijke belastingen was overleg met Gecommitteerden uit de burgerij nodig. Ten overstaan van deze Gecommitteerden zou ook de gemeenterekening worden afgelegd. De "omslag der binnenlandse onkosten" is na 1805 vervallen. In 1807 kwam een nieuwe wet op de departementale en plaatselijke besturen tot stand. De departementen werden verdeeld in kwartieren en deze in gemeenten. Deze werden onderscheiden in twee klassen n.l. boven 5000 zielen, die als steden werden aangemerkt en de andere als gemeenten der tweede klasse. Het bestuur der steden werd gevormd door een college van burgemeester en wethouders met daarnaast een vroedschap, samengesteld uit de notabelen der stad, allen door de Koning te benoemen. Voor de "gemeenten der tweede klasse" bleef het bestuur "op den ouden voet", omdat bij verandering moeilijkheden werden gevreesd met de nog overal bestaande heerlijke rechten. In 1810 vond Inlijving bij Frankrijk plaats. De Algemeen Stedehouder des Keizers nam het volgende besluit, dat de burgemeester maire, de wethouders adjuncten van de maire, de vroedschap municipale raad en de secretaris griffier werden benoemd Krachtens decreet van de Gouverneur-Generaal van 25 december 1810 waren de gemeentebesturen vanaf 1 januari 1811 onderworpen aan de reglementen, bij de Franse wetten bepaald.
De municipale raad betekende zeer weinig; hij had enige financiële controle over de begroting en rekening, doch deze werden door de maire aan de prefect afgelegd. De maire, adjunct-maire en leden van de municipale raad werden door de prefect benoemd. In 1811 werden de schepenbanken ontbonden, terwijl in 1812 twee rechtspersonen werden gecreëerd, t.w. de gemeente en het ambacht als waterschap.
Bij Koninklijk Besluit van 9 oktober 1816 werd de bestuursinrichting van plattelandsgemeenten geregeld. Het bestuur bestond uit een gemeenteraad en een schout, terwijl twee raadsleden als assessoren optraden. De benoeming van de leden van de gemeenteraad geschiedde door Gedeputeerde Staten; de schout werd aangesteld door de Koning. De bevoegdheden van de bestuursorganen waren zeer gering; van autonomie was zo goed als geen sprake.
Bij Koninklijk Besluit van 23 juli 1825 werd een reglement van kracht verklaard, waarin de samenstelling, inrichting en bevoegdheid van de besturen van de plattelandsgemeenten geregeld werd. De wijze van verkiezing onderging geen verandering. De schout, nu burgemeester genoemd, werd benoemd door de Koning; de leden van de gemeenteraad door Gedeputeerde Staten. Het bestuur werd gevoerd door de gemeenteraad, de burgemeester en assessoren. Notulen van gehouden vergaderingen werden geschreven op losse vellen en vaak gevoegd bij de stukken, waarop zij betrekking hadden; eerst in 1844 werden de notulen in een register ingeschreven. De toename van de politieke belangstelling van de bevolking en de grondwetsherziening van 1848 had een beter functionerende bestuursorganisatie van de gemeente ten gevolge door de gemeentewet van 1851. Deze wet legde het beginsel van autonomie vast naast dat van zelfbestuur, dat de medewerking aan regelingen van hoger hand inhield. De in de wet vermelde bestuursorganen zijn de gemeenteraad, het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester.
De gemeenteraad heeft de wetgevende (verordenende) bevoegdheid. Het college van burgemeester en wethouders bezit de uitvoerende macht, terwijl de burgemeester een taak heeft op het gebied van handhaving van de openbare orde. De benoeming van de burgemeester werd aan de Koning gelaten; de leden van de gemeenteraad werden door stemgerechtigde inwoners der gemeente gekozen; de wethouders werden door de raad uit zijn midden gekozen; de secretaris en de ontvanger werden door de raad benoemd. Als uitvloeisel van deze wet werd een reglement voor de vergaderingen van de raad en van het college van burgemeester en wethouders vastgesteld.
De voormalige gemeenten Rijsoord en Strevelshoek
Rijsoord en Strevelshoek schijnen bij de herbedijking van de Zwijndrechtse Waard nog niet, zoals de andere ambachten, als heerlijkheid uitgegeven, doch aan de graaf verbleven te zijn. Rijsoord werd in 1333 door graaf Willem III gegeven aan zijn klerk, Gerard Alewijnsz, als beloning voor zijn diensten. Hij was leengriffier onder de graven Willem III, IV en V en mocht de titel voeren van Alewijn van Rijsoirde terwijl zijn zoon Ridder werd.
Bij de indijking van de Zwijndrechtse Waard werd, naar Zeeuws recht, bij grafelijke brief een zestiende deel uitgegeven, waaruit het ambacht van Rijsoorde werd gevormd. Rijsoord en Strevelshoek zijn na de bedijking van de Zwijndrechtse Waard wel als afzonderlijke heerlijkheid uitgegeven, doch naderhand lange tijd bij elkaar in hetzelfde geslacht bezeten geweest. Zij bestonden ieder op zichzelf uit een Hoofd-Ambacht en enig Volgerland. Rijsoord en Strevelshoek zijn ontstaan uit de benaming van de beide heerlijkheden. Rijsoord moet afgeleid worden van oorden, noorden of gorzen, welke hier voor de bedijking met rijs of houtgewas begroeid gevonden werd. StreveIshoek heette in 1359 Roelof Dukinx-ambacht naar Roelof Dukinc, aan wie het in dat jaar door de vorige bezitter Dirk van Oosterhout overgegeven werd.
De oorsprong van de naam Strevelshoek is onbekend.
De heerlijkheden Rijsoord en Strevelshoek zijn lange tijd in het bezit geweest van het vermaarde geslacht van Rijswijk. De laatste uit dit geslacht was Vrouwe Beatrix van Rijswijk, die gehuwd was met Heer Jan Dedel. Hun dochter, Mathilde Dedel, was gehuwd met Gilles van Valkestein. Deze was eerst baljuw van Voorne, daarna ruwaard, baljuw en dijkgraaf van Putten, schout van Haarlem en hoofdkapitein binnen Goedereede. Na zijn overlijden gingen de heerlijkheden over op hun oudste zoon Gerrit van Valkestein, die ze in 1556 overdroeg aan zijn zoon Nicolaas van Valkestein, raadsheer in de Hove van Zuid-Holland. In 1593 heeft hij de heerlijkheid Rijsoord verkocht aan Matthijs van Nederhoven en de heerlijkheid Strevelshoek aan Willem de Beveren Corneliszoon. Beide heerlijkheden zijn in de achttiende eeuw in handen van anderen overgegaan. De heer van Rijsoord had recht op een zestiende gedeelte van de buitendijkse aanwassen, alsmede het recht op een Zeeuws vat wit zout, jaarlijks met de accijns daarvan, van iedere zoutkeet in de Zwijndrechtse Waard, die in geld betaald werd.
De heerlijkheid Rijsoord was begiftigd met bijzondere voorrechten, zoals de vrijdom van tollen en cijnsen en het recht van visserij in de Waal tot in de diepte van deze binnen haar rechtsgebied. In criminele en gewichtige civiele zaken behoorden Rijsoord en Strevelshoek tot den Hove van Zuid-Holland. Het gerecht van Strevelshoek bestond uit schout en drie schepenen. Het gerecht van Rijsoord bestond uit schout, twee schepenen, een waardsman, een secretaris en een bode. De beide besturen regelden ook de polderzaken. De ingaring der verponding geschiedde het ene jaar door Rijsoord en het andere jaar door Strevelshoek. Na 1795 onderging het bestuur van Rijsoord en Strevelshoek weinig verandering.
Bij resolutie van het Departementaal Bestuur van 15 augustus 1804 werd het gemeentebestuur ontbonden en drie nieuwe leden benoemd. Het reglement voor de gemeenten Rijsoord en Strevelshoek bepaalde, dat de gemeente zou worden bestuurd door drie leden, in deze gemeente woonachtig, en tegelijk fungerende als schepenen en heemraden onder de naam van Gemeentebestuur van Rijsoord en Strevelshoek. Het gemeentebestuur verkoos dadelijk, na het afleggen van de eed, een president voor de tijd van een jaar. Ieder jaar zou een keuze gedaan moeten worden. De aftredende president zou echter verkiesbaar zijn.
In hun kwaliteit als heemraden zou het gemeentebestuur "buiten deszelfs midden" voor de tijd van twee achtereenvolgende jaren een waardsman aanstellen, die tevens ook gaarder van de lage omslag was. Indien de nood zulks vorderde, legde het gemeentebestuur nieuwe plaatselijke belastingen op, "echter niet anders dan met overleg van Gecommitteerden uit deze gemeente en onder Approbatie van het Departementaal Bestuur", alles overeenkomstig artikel 117 van het reglement voor het Departementaal Bestuur. De leden van het gemeentebestuur genoten geen vast tractement; alleen zouden zij de voordelen trekken "welke aan de posten van heemraden zijn verknogt". Het gemeentebestuur van Rijsoord en Strevelshoek stelde op 1 november 1804 een brandkeur vast. Op overtreding van de keur stond een boete van drie gulden "ten behoeve van de schout van dezen dorpe, boven en behalven twaal stuivers voor den bode". Tevens werd een lijst van het brandgereedschap vastgesteld: voor ieder huisgezin een lantaarn en verder een opgave van personen, die een brandemmer, een brandhaak of een ladder moesten hebben. Op 6 september 1804 werd door het Departementaal Bestuur van Holland het reglement voor de civiele rechtbank te Rijsoord en Strevelshoek vastgesteld. Het bestond uit vijf leden, die de naam van schepenen droegen. De aanstelling van schepenen geschiedde door het Departementaal Bestuur uit een
De beëdiging van de schepenen geschiedde in handen van de schout. Zij moesten een reglement van orde voor hun vergaderingen vaststellen. De rechtbank vergaderde tenminste eenmaal per maand. Aan het college van schepenen behoorde het uitoefenen van alles, wat tot de contentieuse jurisdictie d.i. tot het rechtspreken tussen partijen behoorde. Ook had het, als van ouds, de uitoefening van de voluntaire jurisdictie d.i. het staan over transporten, hypotheken, publieke verkopingen, verhuringen, verpachtingen, enz. Alle pleidooien werden gehouden "met ontslotene deuren en ten aanhoren van een iegelijk", tenzij het college, in bijzondere gevallen, het tegendeel, om gewichtige redenen nodig mocht oordelen. Het werd bijgestaan door de secretaris van het gemeentebestuur, die tevens schout-civiel kon zijn. Het werd bediend door de gerechtsbode, die ook in die kwaliteit bij het gemeentebestuur werkzaam was. De schout fungeerde als aanklager. In 1800 werd aan de schoolmeester en voorzanger een bedrag van fl. 155,- als tractement uit het kerkenfonds betaald. Voor het onderwijs werd wekelijks "voor diegene, welke spelden en lezen één stuiver, die schrijven twee stuivers en die schrijven en cijferen drie stuivers betaald. Door de Armbestuurders werd voor het onderwijs der minvermogenden gezorgd. Op 3 juli 1802 werd door het gemeentebestuur besloten in de "Dordrechtsche en Haarlemsche Couranten" een advertentie te plaatsen om bekend te maken, dat voortaan "binnen deze dorpe" geen kermis zou worden gehouden.
Onder het Franse bestuur waren Rijsoord, Strevelshoek, Sandelingen Ambacht en Heer Oudelands Ambacht één gemeente. Het bestuur werd gevormd door een maire, adjuncten van de maire, de municipale raad en de griffier. De maire, adjuncten van de maire en de municipale raad werden door de prefect benoemd. Na 1814 werd de samenvoeging ongedaan gemaakt. Rijsoord en Strevelshoek werden weer zelfstandige gemeenten. Door het Koninklijk Besluit van 9 oktober 1816 werd de inrichting van het bestuur van plattelandsgemeenten geregeld. Het bestuur werd gevormd door de schout, de gemeenteraad, terwijl twee leden van de raad als assessor optraden. De raadsleden werden benoemd door gedeputeerde staten; de schout werd aangesteld door de Koning. Het reglement, regelende de samenstelling, inrichting en bevoegdheid van de besturen van de plattelandsgemeenten werd vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 23 juli 1825. Veel verandering ontstond er niet, alleen de schout werd burgemeester genoemd.
 Bij Koninklijk Besluit van 9 februari 1845 no. 45 werd de gemeente Strevelshoek met de gemeente Rijsoord verenigd.
In 1855 werd de gemeente Rijsoord en Strevelshoek met de gemeente Ridderkerk samengevoegd.
Literatuurlijst
J.W. Regt - Geschied- en Aardrijkskundige beschrijving van den Zwijndrechtschen Waard, den Riederwaard en het Land van Putten over de Maas; Handschrift, Groote-Lindt, 1848.
J. Verheul Dzn. - IJsselmonde, Ridderkerk en Barendrecht; Rotterdam z. j ., 1935.
A.S. de Blécourt - Ambacht en Gemeente; Zutphen, 1912.
L.F.Teixeira de Mattos - De waterkeringen, waterschappen en polders van Zuid-Holland, deel VI, afdeling II; 's-Gravenhage, 1920.
A.J. van der Aa - Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden, deel IX; Gorinchem, 1847.
L. van Ollefen - De Nederlandsche Stad- en Dorp-beschrijver, deel I; Amsterdam, 1793.
J.C. Ramaer - Geografische Geschiedenis van Holland bezuiden de Lek en Nieuwe Maas in de Middeleeuwen; Amsterdam, 1899.
J.L. van der Gouw - "Overzetveren in Zuid-Holland" in Verslag over het jaar 1961 door Gedeputeerde Staten aan de Staten der provincie Zuid-Holland.
J.L. van der Gouw - "Het ambacht Voorschoten" in Zuid-Hollandse Studiën, deel V; Voorburg, 1956.
Inhoud en structuur van het archief
Verantwoording
Geschiedenis van de ordening en de beschrijving
Aanwijzingen voor de gebruiker
Opmerkingen openbaarheidsbeperkingen
Bijlagen
Aantekening
Kenmerken
Datering:
1429 - 1942 (1952)
Beschrijving:
Inventaris van de archieven van de ambachten en gemeenten Ridderkerk, Rijsoord en Strevelshoek, 1579 - 1942 (1952)
Auteur:
J.W.A. van der Blom
Plaats van uitgave:
Ridderkerk
Jaar van uitgave:
2006
Overheid of particulier:
Overheid
Trefwoorden:
Geografische namen:
Categorie:
Archiefvormer(s)::
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS