In opdracht van de gemeente Rotterdam heeft het KITLV de afgelopen twee jaar onderzoek gedaan naar het koloniale en slavernijverleden van Rotterdam. De uitkomsten daarvan zijn op 31 oktober 2020 gepresenteerd.

In Nederland ontstaat meer ruimte voor kritische reflectie op het koloniale verleden, en in het bijzonder de slavernijgeschiedenis. Gedegen historische kennis is daarbij broodnodig. Mede hierom nam de Rotterdamse gemeenteraad het – ook in Europees verband unieke – besluit om dit verleden diepgaand te laten onderzoeken. Daaraan werd uitdrukkelijk ook het doel verbonden om ‘wederzijds begrip en verbondenheid naar de toekomst’ te versterken. De opdracht werd gegeven aan het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV-KNAW) te Leiden.

Een breed samengesteld team onderzoekers werkte in 2018-2020 aan het project. Het resultaat is een drietal boeken, gebaseerd op nieuw, grondig archief-, literatuur- en veldonderzoek; gezamenlijk bieden zij een brede baaierd van nieuwe kennis, inzichten en beschouwingen. Enkele conclusies:

  • Rotterdam heeft vanaf 1600 een belangrijke rol gespeeld in het Nederlandse kolonialisme en dus ook in slavenhandel en slavernij. In de zeventiende en achttiende eeuw was dat vooral als deelnemer in de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) en West-Indische Compagnie (WIC), daarna nam de particuliere sector het over. Rotterdam werd de grootste haven van Nederland; de koloniale handel op Nederlands-Indië speelde daarbij een belangrijke rol.
  • Rotterdamse burgemeesters en andere bestuurders, ondernemers en zeevaarders speelden een rol van betekenis in VOC en WIC, en ook in het particuliere systeem van slavenhandel en slavernij. Het eerste geregistreerde Nederlandse schip met Afrikaanse slaafgemaakten (1596) had een Rotterdamse reder. Het stadsbestuur ondersteunde VOC, WIC en particuliere koloniale ondernemers; vele bestuurders hadden zelf ook koloniale belangen.
  • Rotterdamse bedrijven hebben geprofiteerd van hun betrokkenheid bij slavernij en kolonialisme. Sommige bestaan nog steeds of gingen op in andere ondernemingen. Verder onderzoek naar de betrokkenheid van Rotterdamse bedrijven bij de koloniale en slavernijgeschiedenis is gewenst.
  • In de regel gaven noch het Rotterdamse stadbestuur, noch Rotterdamse ondernemers blijk van ethische bezwaren tegen slavenhandel, slavernij of het kolonialisme op zich. Er waren altijd wel Rotterdammers die kritiek verwoordden, maar dat waren uitzonderingen.

In dit onderzoek staat de impact van deze geschiedenis op de stad centraal. Dat neemt niet weg dat met name in het deel over het slavernijverleden ook de impact op met name Suriname en Curaçao en het verzet tegen de slavernij ruim aan bod komen. Wat was de impact van deze geschiedenis op de stad Rotterdam zelf?:

  1. Economie. De Rotterdamse betrokkenheid bij slavernij en kolonialisme is een integraal onderdeel van de economische ontwikkeling van de stad. Dat betreft handel, industrie en financiële dienstverlening. Deze betrokkenheid beperkte zich niet tot zakenlieden; ook talloze Rotterdamse zeelieden, arbeiders en ‘witte boorden’ verdienden hun brood met koloniale zaken.
  2. Stedenbouw en architectuur. De groei van de Rotterdamse stad en havens is nauw verbonden met het kolonialisme. Door het Duitse bombardement van 1940 zijn veel gebouwen met een koloniale connectie verloren gegaan, maar niettemin zijn nog overal architectonische en stedenbouwkundige getuigen van deze geschiedenis aanwijsbaar.
  3. Musea en collecties. Welgestelde Rotterdammers legden koloniale kunst verzamelingen kunst en etnografica aan, vooral uit Indonesië, die nu terug te vinden zijn in de Rotterdamse musea zoals het Wereldmuseum, Boijmans van Beuningen, het Maritiem Museum en Museum Rotterdam. Ook het Stadsarchief herbergt unieke, vooral particuliere collecties over het koloniale en in het bijzonder het slavernijverleden. Die collecties weerspiegelen vaak een koloniaal wereldbeeld waaraan de erfgoedinstellingen zich vandaag proberen te ontworstelen.
  4. Racisme en geweld waren inherent aan kolonialisme en slavernij en dit geldt dus ook voor de Rotterdamse betrokkenheid en medeverantwoordelijkheid. Vanaf het midden van de negentiende eeuw ontwikkelde zich een wat kritischer, ‘ethische’ dimensie van het koloniale systeem. Dit kwam in Rotterdam tot uiting in activisme voor de afschaffing van de slavernij. Later werd de stad een centrum voor zending, missie en tropische geneeskunde. De gedachtewereld daarachter was paternalistisch, soms ronduit racistisch van aard.
  5. Migratie. Vanaf de vroege koloniale tijd kwamen er mensen uit de koloniën naar Nederland, al dan niet uit vrije wil. Te denken is aan bediendes, later ook studenten, zoals de Indonesische staatsman Mohammad Hatta. Koloniale migranten waren actief in het verzet tegen het Nederlandse kolonialisme, maar ook tegen de Duitse bezetter. Na de oorlog vestigden zich veel meer ‘postkoloniale’ migranten in de stad.
  6. Erfenissen. Rotterdam is anno 2020 een superdiverse stad, met grote groepen inwoners uit de voormalige – Nederlandse, maar ook Portugese, Franse, Spaanse en Britse – koloniën. De koloniale geschiedenis loopt daarmee door in de hedendaagse stad. Dat helpt verklaren waarom dit verleden inmiddels zo sterk in de belangstelling staat: het koloniale en slavernijverleden, een geschiedenis van racisme en uitsluiting, is niet afgesloten, maar werkt materieel en mentaal door in het heden.

De Rotterdamse koloniale en slavernijgeschiedenis is, niet alleen op andere continenten maar ook voor de stad zelf, van grote betekenis geweest. Rotterdamse bestuurders speelden eeuwenlang een bepalende rol in deze nu ‘herontdekte’ geschiedenis. Aan hun opvolgers de taak te bepalen welke plaats zij dit verleden willen geven in de hedendaagse stad. Deze drie boeken bieden daartoe een grondige en onmisbare achtergrond, maar zeker niet het laatste woord. Er is nog veel uit te zoeken, te overdenken en te bespreken. De volgende stap is een vertaalslag naar het grote publiek.