Sommigen zetten vraagtekens bij het verhaal van Tuschinski dat hij in 1904 als migrant uit Oost Europa eigenlijk onderweg was naar Amerika en min of meer toevallig in Rotterdam bleef hangen. De kleermaker Ephraim Dobrozitcki bij wie Tuschinski na zijn aankomst op het Maasstation werk en onderdak vond, nam vaker jonge kleermakersgezellen in dienst, die – net als Dobrozitcki zelf – afkomstig waren uit de omgeving van Lodz. Het is mogelijk dat Tuschinski bij aankomst in Rotterdam al wist dat hij langer zou blijven en achteraf heeft verzonnen dat Amerika zijn reisdoel was. Het gaf meer drama aan zijn levensverhaal en met de verkoop van drama verdiende Tuschinski tenslotte zijn brood.     

Al ging Tuschinski in 1904 niet naar Amerika, als bioscoopondernemer was hij nauw verbonden met het land en de laatste culturele ontwikkelingen daar. In de eerste plaats via de films die hij vertoonde. Van meet af aan waren daar Amerikaanse producties bij en in de loop der jaren werden dat er steeds meer door de groeiende dominantie van Hollywood. Medio jaren ’20 waren Tuschinski’s theaters in Rotterdam en Amsterdam de bekendste bolwerken van de Amerikaanse film. Met de Paramount studio wist Tuschinski exclusieve leveringscontracten af te sluiten. In 1926 kwam de president-directeur van Paramount, Adolph Zukor, naar Amsterdam voor een met veel publiciteit omgeven bezoek aan ‘zijn vriend Abraham Tuschinski’ en diens schitterende bioscooptheater. Zukor toonde zich diep onder de indruk: ‘I do congratulate You; Mr. Tuschinski! Your theatre is a perfect marvel!’

 image

De bio van Tuschinksi in een notendop: van immigrant en kleermakersknecht in 1904 tot bouwer en naamgever van ‘de mooiste bioscoop ter wereld’ in 1921. ​Beeld: Karel Kindermans, 2021.

Filmpuristen tegen Tuschinski

Tuschinski was trots op zijn hechte banden met Hollywood, maar hij kwam er ook door onder vuur te liggen. Een hoofdrol was daarbij weggelegd voor een groep filmliefhebbers, veelal studenten, die zich organiseerden in de Nederlandsche Filmliga. Belangrijke woordvoerder van deze groep was de jonge schrijver en criticus Menno ter Braak. Vanaf 1923 schreef hij over kunst en cultuur in het Amsterdamse studentenblad Propria Cures. Ter Braak betoogde dat film een volwaardige kunstvorm moest worden. En dit zou nooit lukken zolang Hollywood toonaangevend was in filmland. Hollywood maakte smakeloos amusement, geen kunst, schreef Ter Braak in zijn stukken, waarin hij zich fel uitsprak tegen Abraham Tuschinski, de bioscoopexploitant die zich in Nederland het sterkst profileerde met Amerikaanse films.

Een extra doorn in het oog van de Filmliga was dat Tuschinski filmvertoningen combineerde met optredens van variétéartiesten. Dit om de amusementswaarde van de voorstellingen zo groot mogelijk te maken. Maar het leidde wel af van de film zelf. ‘Amerikaanscher’ kon niet, het tegenovergestelde van cinema als kunst, vonden de filmpuristen van de Liga.

Tuschinski ergerde zich groen en geel aan Ter Braaks aanvallen, waar bij vlagen ook nog eens een venijnig antisemitische ondertoon in doorklonk. Een poging om onder dreiging van een rechtszaak Ter Braak het zwijgen op te leggen en hem zijn excuses te laten maken, mislukte. Erger, het gehak op Tuschinski sloeg over naar Rotterdam, waar een lokale afdeling van de Filmliga werd opgericht en de kunstredactie van de NRC in haar filmrecensies ook ging pleiten vóór een zuivere filmkunst en tégen het bioscoopamusement zoals Tuschinski dat bracht.

Een tijdlang verzuurde de verhouding tussen de NRC en Tuschinski, die van zich af beet door niet meer in die krant te adverteren. In 1930 koos hij een andere aanpak, ‘if you can’t beat them, join them!’ In enkele gesprekken werd de lucht geklaard en een plan gesmeed tot samenwerking. De Rotterdamse Filmliga en Tuschinski gingen speciale vertoningen van kunstzinnige films organiseren en bovendien zou Tuschinski in de stad een gespecialiseerd avant-garde filmtheater openen.

Geen bananen

Het duurde nog twee jaar voordat die avant-garde bioscoop, Studio ’32, er echt kwam. Hij vond onderdak in het gebouw waar ook het Grand Théâtre in gevestigd was, een grote bioscoop aan de Pompenburgsingel die Tuschinski in 1923 had overgenomen. Het interieur kreeg een complete make-over in dezelfde decoratiestijl als die in 1919 in Thalia en daarna in Theater Tuschinski in Amsterdam was toegepast. Het Grand Théâtre – echte Rotterdammers hadden ’t kortweg over ‘het Krant’ –  werd Tuschinski’s eersterangs bioscooppaleis in de Maasstad, aangevuld door Thalia en Cinema Royal als kleinere en intiemere familietheaters en Olympia voor het ruige werk en dito publiek.

Op 20 november 1930 was de feestelijke aftrap van de gezamenlijke vertoningen van Tuschinski en de Rotterdamse Filmliga met een nachtvoorstelling in het Grand Théâtre. Gedraaid werd een serie geluidsfilms, een techniek die op dat moment de Nederlandse bioscopen veroverde. Eenieder die zich in Rotterdam rekende tot de culturele elite was uitgerukt om deze gedenkwaardige avond mee te maken.  Amusementskoning Tuschinski draaide hen op briljante wijze een loer. Hij opende de voorstelling met een sing along, een korte geluidsfilm waarin een liedje werd gespeeld, waarvan de woorden in beeld verschenen terwijl daarboven een witte stip op de maat van de muziek van lettergreep naar lettergreep sprong. Zo kon het publiek keurig in de maat meezingen. Tuschinski koos voor deze gelegenheid het liedje ‘Yes, we have no bananas’, een megahit uit 1923 en 100% Amerikaansch. Filmpurist of niet, het Grand Théâtre-publiek kon er die avond geen weerstand aan bieden en zong uit volle borst mee.

Amerikaans dansen

Halverwege de jaren twintig besloot Tuschinski in te haken op de dansrage die na de Eerste Wereldoorlog overwaaide vanuit de VS en innig verbonden was met de Amerikaanse populaire muziek van die tijd. Steekwoorden: ragtime en jazz; als het om de dansen zelf ging: charleston, cake-walk, shimmy, turkey- en fox-trot. Hun populariteit maakte de dancings tot een geduchte concurrent van de bioscopen.

 image

Midden jaren ’20: Tuschinski brengt Amerikaans film- én dansplezier, cinefiel Menno ter Braak vindt het maar niks. Beeld: Karel Kindermans, 2021.

Om te weten wat er op het Amerikaanse dansfront gaande was, had Tuschinski zijn contacten aan de andere kant van de oceaan niet nodig. In de Rotterdamse amusementswereld was genoeg expertise aanwezig. Al in 1913 kreeg de stad een American Dancing Pavilion, zij het dat daar meestal nog ouderwetse walsen en polka’s werden gedanst. Maar toch, het begin was er en als grote havenstad waar op dansgebied wereldwijze zeelui elke avond kwamen passagieren, leerde Rotterdam na de Eerste Wereldoorlog het hippere en wildere, uit Amerika stammende voetenwerk snel genoeg bij.

 

Na de sloop van het Zandstraatkwartier vanaf 1912 waren danstenten voor zeelui naar de Schiedamse dijk verhuisd. Die liep in het verlengde van de Korte Hoogstraat naar het zuiden, tot vlakbij het Willemsplein. Het werd één van de twee aders waarlangs de jazz en bijbehorende dansen Rotterdam binnenstroomden. De andere was de gedempte Coolsingel, omgetoverd tot ‘wereldstadboulevard’ met als kers op de taart de mondaine dancing Pschorr, geopend in 1922.

Tuschinski startte zijn eerste dancing niet in Rotterdam, maar in Theater Tuschinski. Vanaf de opening was daar op de eerste verdieping een theaterzaal voor cabaret en kleinkunst: La Gaîté. In mei 1924 werd een dansvloer ingebouwd en kreeg La Gaîté samen met nog vijf andere chique uitgaansgelegenheden in Amsterdam een ontheffing van het plaatselijke dansverbod.

 image

Café-restaurant, annex dancing Pschorr aan de Coolsingel kort na de opening in 1922. Niet te verwarren met het café en variété-theater Pschorr aan de Korte Hoogstraat, dat Tuschinski in de zomer van 1912 huurde als tijdelijk onderkomen voor zijn Thalia bioscoop.

Daar ging flink wat gelobby aan vooraf. Dansen in het openbaar werd door de gemeente beschouwd als een bedreiging voor de goede zeden. Voorop in de strijd ging Dirk Reese, eigenaar van Pschorr aan de Coolsingel. Hij wilde zijn dansimperium uitbreiden met een dancing aan het Amsterdamse Rembrandtplein. Reese kreeg uiteindelijk zijn zin, Tuschinski haakte aan en zo drong het dansen op z’n Amerikaans mede dankzij twee Rotterdamse ondernemers de publieke ruimte van de hoofdstad binnen.   

In 1925 wilde Tuschinski ook in zijn thuisstad meeprofiteren van de dansrage. Hij opende een tweede cabaret-dancing La Gaîté in zijn Grand Théâtre aan de Pompenburgsingel. Alleen viel de klandizie tegen. In arbeidersstad Rotterdam verdienden waarschijnlijk te weinig mensen genoeg geld om naast Pschorr nog zo’n dure danstent rendabel te houden. Elders in de stad waren er zaken genoeg waar je hetzelfde type ‘Amerikaansch’ vermaak goedkoper kreeg in een minder mondaine omgeving die beter paste bij de leefwereld van de doorsnee Rotterdammer. Tuschinski rekte het bestaan van zijn Rotterdamse La Gaîté tot eind 1930. Goed anderhalf jaar later liet hij de leegstaande zaal ombouwen tot het avant-garde filmtheater dat hij aan de Filmliga had beloofd.

Lees meer

De verhalen en tekeningen op deze pagina zijn tot stand gekomen met financiële steun van het Makersloket Rotterdam.

Tekst: André van der Velden, mediahistoricus, Universiteit Utrecht (https://www.uu.nl/medewerkers/AWTVelden)
Tekeningen: Karel Kindermans, vertellend tekenaar (www.kindermans.nl)
Tekstadvies: Sanneke van Hassel (http://www.sannekevanhassel.nl/)