Tot de opening van Theater Tuschinski in oktober 1921 was het Rotterdamse Olympia Tuschinski’s grootste bioscoop. Aan wat toen Binnenweg 46 was, bevond zich de entrée van het theater, op de plek waar nu de ANWB-winkel zit. Nadat je een kaartje had gekocht, liep je door een lange gang naar het bioscoopgebouw dat achter de huizen aan de Binnenweg lag en waar nu een sober en zakelijk expeditiehof is. Hoe anders was het honderd jaar terug, toen in Olympia filmhelden als Ed Cody en Irma Vep en Homunculus menig hart en hoofd verhitten met hun ijzingwekkende avonturen. 

 image

Impressie van Olympia toen daar de film Vampiers draaide. Gebaseerd op een oude luchtfoto.​ Beeld: Karel Kindermans, 2021

Seriefilms

Toen Tuschinski Olympia in november 1915 kocht, was het een kleine bioscoop met zo’n 240 zitplaatsen. Volgens zijn memoires was het ook een lekkende bouwval. In januari 1916 kreeg het theater een opknapbeurt. Niet lang daarna toonde Tuschinski er een nieuw type film, dat het Rotterdamse publiek bij uitstek zou gaan associëren met Olympia: de seriefilm, een vervolgverhaal in filmvorm.

Al voor de Eerste Wereldoorlog experimenteerden filmproducenten met dit genre, dat geïnspireerd was door bestsellerliteratuur en door populaire, dagelijkse feuilletons in kranten. De filmindustrie vond zijn eigen invulling voor deze lucratieve formule: series van vijf á zes tot meer dan dertig korte films – soms niet langer dan een kwartier – die samen een verhaal vertelden, en ook nog te volgen en spannend waren als je het verbindende verhaal niet kende. Een bioscoopexploitant kon één of meerdere afleveringen uit zo’n serie opnemen in zijn weekprogramma. Aan het einde van elke aflevering zat doorgaans een cliffhanger; bezoekers die wilden weten hoe het afliep, moesten de week erop terugkomen om het vervolg te zien. Er waren westerns bij, maar ook zedendrama’s, thrillers en avonturenverhalen – niet zelden ontleend aan populaire stuiverromans. Spectaculaire actiescènes, een stevige dosis geweld en meeslepende emoties, dat was waar het om draaide.

 image

Kaskrakers in Olympia, late jaren ’10, vroege jaren ’20.​ Beeld: Karel Kindermans, 2021

Door de ontwrichting van de filmimport na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog werden seriefilms in Nederland later populair dan elders. Distributeurs hadden moeite nieuwe leveranciers en aanvoerkanalen te vinden na het wegvallen van oude. Dit bood echter ook kansen aan nieuwkomers in het filmverhuurbedrijf,  zoals Lodewijk (‘Loet’) Barnstijn, een Haagse bioscoopeigenaar die in de loop van 1915 ook importeur en distributeur werd, gespecialiseerd in Amerikaanse speelfilms. Geen verkeerde keuze, want Hollywood was in die tijd hard op weg de allesoverheersende macht te worden op filmgebied. De immense populariteit van Charlie Chaplin was daarvan een teken. Een ander teken was het wereldwijde succes van Amerikaanse ‘action serials’.

Voorjaar 1916 bracht Barnstein voor het eerst zo’n Amerikaanse seriefilm in Nederland in roulatie: De sleutel naar geluk. Tuschinski hapte toe. Een kleine anderhalve maand draaide deze seriefilm verdeeld over vijf weekprogramma’s in zowel Olympia als Scala, een andere kleine bioscoop die hij in 1915 had overgenomen. Het moet een doorslaand succes geweest zijn. Van nu af aan huurde Tuschinski geregeld nieuwe seriefilms bij Barnstijn.

Andere bioscoopondernemers ontdekten de seriefilms ook, wat de huurprijzen opdreef en het lastig maakte om de vertoning rendabel te houden. Publiek trokken ze volop, maar daar moest je wel plek voor hebben in je theater. Olympia was maar klein. Zelfs als Tuschinski – gebruik makend van het pendelsysteem (zie het verhaal over Thalia Hoogstraat) – zo’n dure seriefilm gelijktijdig vertoonde in Olympia én Scala, dan nog kon hij slechts zo’n 380 plaatsen per voorstelling verkopen; de zaal van Scala was nog bescheidener dan die van Olympia. In de zomer van 1916 besloot Tuschinski daarom de zaal van zijn Olympia te vervangen door een veel grotere, waar zo’n 700 bezoekers in pasten. De nieuwe zaal kreeg ook een toneel, waarmee het mogelijk werd om in Olympia, net als in Thalia en Cinema Royal, filmvertoning af te wisselen met variété-acts. Om de vernieuwde bioscoop een fraaiere entree te geven, kocht Tuschinski de hoeden-en-pettenwinkel die aan de Binnenweg naast de ingang van Olympia lag en maakte er een ontvangsthal van.  

Op zaterdag 21 oktober 1916 vond de feestelijke heropening van Olympia plaats. Dankzij de vele seriefilms liep het er storm. De megaklapper was Vampiers: De misdadigers der wereldsteden, een door het Franse Gaumont gemaakte seriefilm over een gangsterbende geleid door een vrouwelijke vampier, Irma Vep, die in haar strak-zwarte vleermuizenpakje brave burgers van hun spullen en als ze pech hadden ook van het leven beroofde. (Bekijk hieronder een fragment)

 image

Blik in de Hoogstraat naar het westen, midden 1922. Bij de kruising met de Korte Hoogstraat de Franse of Waalse kerk, in het midden de gevelreclame van Tuschinski’s Scala bioscoop.

De Fransen – voor de Eerste Wereldoorlog toonaangevend in de filmproductie – wensten zich niet zonder slag of stoot door Hollywood weg te laten concurreren en haakten gretig aan bij de seriefilm-rage. Net als de Duitsers, die  op de proppen kwamen met een serie over Homunculus, een door een wetenschapper gemaakte reageerbuismens, die ontdekt geen liefde te kunnen voelen en besluit de hele wereldbevolking uit te roeien. Ook hier lustte het Olympia-publiek wel pap van.

Mister Olympia

Hoezeer de Europeanen ook hun best deden, Hollywood won het uiteindelijk toch, vooral omdat ze zoveel seriefilms maakten. In de stroom Amerikaanse action serials was er één acteur die als de absolute ster van het genre werd gevierd: Eddie Polo. Wat hij ook speelde, een circusartiest, een detective, of de westernheld Ed Cody, hij trok volle zalen. Zoals de Rotterdamse correspondent van het vakblad De Bioscoop-Courant begin mei 1919 na een bezoek aan Tuschinski’s Olympia berichtte:

''Nauwelijks was de titel [“De Koning der Cowboys”] op het doek verschenen of een gejuich, (beter gezegd gebrul) barstte los; met daverend applaus werd deze tweede serie begroet (…). Uitroepen als: “Daar komt ie weer”, “Geef ze d’r portie” weerklonken door de zaal en het publiek leefde dermate mede met de sensationeele avonturen van den sympathieken cowboy Ed Cody (Eddie Polo), dat telkenmale vreugdekreten en applaus weerklonken, wanneer Ed weder een zijner heldendaden volvoerde.''

Voor en na de voorstelling gedroeg het geestdriftige publiek zich zo uitbundig dat er geregeld

''herstellingen moesten worden verricht in de toch zoo ruime vestibule die het ’s avonds hard te verduren kreeg. De zware bronzen ketting bleek weder eenige malen niet bestand tegen de opdringende menigte.''

De fans kregen er geen genoeg van. Toen een volgende Eddie Polo-serie in Olympia liep, constateerde dezelfde verslaggever met nauwelijks verhulde verbazing:

''(…) wat wij deze week medemaakten is alleen voor Eddie Polo mogelijk, niet alleen omdat hij nu de Circuskoning is, o neen, want toen hij “Koning der Cowboy’s” was, drong men even hard en al kwam hij over een maand als een andere koning, dan juichte men hem weer toe, want Eddie Polo is een koning, nl. de Koning der Cinema bezoekers (…). Wanneer hun afgod slechts beweert, dat hij met een zeker persoon zal gaan afrekenen, volgt een gejuich, geschreeuw, getrappel en handgeklap, waaraan geen einde schijnt te komen.''

In 1931 schreef NRC-filmjournalist Coen Graadt van Roggen in een schets van de Rotterdamse filmcultuur over Tuschinski’s Thalia en Olympia bioscopen. Thalia vond hij intiemer en daardoor geschikt voor ‘film van een iets fijnere kwaliteit’. Het was ‘een theater voor het Rotterdamsche intellect’. Over Olympia gaf hij, ruim tien jaar na de hoogtijdagen van Eddie Polo en de seriefilm-gekte, een andere beoordeling:

''Minder bouquet, maar rossiger kleur en zilter smaak heeft Olympia, waar men de koppige Eddie Polo 1920 onversneden schenkt, […] en waar men steeds een juichende goedgekleede clientèle tot het waardeeren van een robbertje doodslag bereid vindt.''

Eddie Polo; voor Rotterdammers van die tijd was hij voorgoed Mister Olympia.

Blagen met geld

Een “juichende, goedgekleede cliëntèle, tot het waardeeren van een robbertje doodslag bereid”. Wie waren die trouwe bezoekers van Olympia? Er bestaan geen bronnen die een volledig antwoord op die vraag geven, maar wellicht is er toch iets over te zeggen.

Tuschinski zelf noemde Olympia in zijn memoires een theater ‘voor de kleine burgerij’, in uitspraken van Rotterdamse tijdgenoten heet het ‘een volkstheater’ en klinkt door dat er een jong publiek naartoe ging, zeker tijdens middagvoorstellingen hoofdzakelijk bestaand uit jongens die de boel op stelten zetten. Rotterdam was begin vorige eeuw een typische arbeidersstad èn een stad met een omvangrijke jeugdige bevolking, dus aan rauwdouwerige blagen geen gebrek. Geld op zak om aan bioscoopkaartjes te besteden, hadden zij ook. In een onderzoek naar de economische effecten van de oorlog van het Ministerie van Handel en Nijverheid uit 1917 werd geconstateerd dat de bioscopen gouden tijden beleefden. Dankzij de mobilisatie was er een tekort aan arbeidskrachten, waar jonge arbeiders van profiteerden. Hun lonen stegen en dat stimuleerde het bioscoopbezoek, stelden de onderzoekers. Best mogelijk, maar vermoedelijk besteedden ze daar niet ál hun extra inkomsten aan. Zouden ze bijvoorbeeld niet óók mooiere kleren hebben gekocht?

Financieel fundament

Binnen een jaar na het vergroten van Olympia kocht Tuschinski de grond in Amsterdam waarop hij het theater zou bouwen dat hem de ongekroonde bioscoopkoning van Nederland maakte. De financiering van dit project was niet alléén gebaseerd op de winsten van Olympia. Er kwamen externe investeerders aan te pas en ook is er geld in gepompt dat Tuschinski had verdiend met zijn andere Rotterdamse bioscopen. Maar het financieel fundament van zijn nieuwe bioscooppaleis in de hoofdstad lag zeker voor een belangrijk deel aan de Rotterdamse Binnenweg. Gelegd door een betalend publiek dat een veel ruigere bioscoopervaring verkoos, dan het chique Theater Tuschinski  vanaf 1921 zou bieden.    

Lees meer

De verhalen en tekeningen op deze pagina zijn tot stand gekomen met financiële steun van het Makersloket Rotterdam.

Tekst: André van der Velden, mediahistoricus, Universiteit Utrecht (https://www.uu.nl/medewerkers/AWTVelden)
Tekeningen: Karel Kindermans, vertellend tekenaar (www.kindermans.nl)
Tekstadvies: Sanneke van Hassel (http://www.sannekevanhassel.nl/)