Openbaar in 2026
Aan het begin van het nieuwe jaar vervalt de openbaarheidsbeperking van duizenden archiefstukken. Documenten die eerder niet of alleen onder voorwaarden waren in te zien, zijn dan voor iedereen te bekijken. Onder de stukken die nu openbaar worden zijn politiedossiers uit de jaren ’70 over de prostitutie op Katendrecht.
In 1971 is de maat vol voor de bewoners van Katendrecht. In een brief aan het college van burgemeester en wethouders klagen ze hun nood over de groeiende overlast van de prostitutie in hun wijk. ‘Nog steeds schijnt het bij het college niet doorgedrongen te zijn, in wat voor een onhoudbare toestand de burgers in Katendrecht moeten leven; hoe hier keurige gezinnen weggetreiterd worden door souteneurs, prostituees en bordeelhouders', zo schrijven ze. Binnenkort vertrekt er weer een gezin en dat zal zeker niet het laatste zijn.
Duitse aanpak als voorbeeld
De brief is het startschot van een discussie die zich meer dan tien jaar zal voortslepen. Centraal daarin staat het plan om de prostitutie naar Duits voorbeeld te concentreren in zogenoemde sekshotels of eroscentra. Begin 1972 maken twee functionarissen van de Rotterdamse zeden- en kinderpolitie een studiereis naar Düsseldorf en Hamburg om zich op de hoogte te stellen van de Duitse aanpak. Eén van de dossiers die nu openbaar worden (inv.nr. 4147) bevat het verslag van die reis.
Interessant aan het verslag is dat het begint met een beschrijving van de situatie op Katendrecht. De twee politiemannen bevestigen de waarneming van de bewoners dat het aantal sekswerkers in hun wijk toeneemt. ‘De prostitutie vindt plaats in 105 woningen, verspreid over vrijwel de gehele wijk. Slechts enkele straten zijn geheel dan wel bijna vrij prostitutie.’ Beide mannen schrijven ook over de factoren die daar volgens hen op van invloed zijn geweest en hoe de politie probeert de ontstane overlast binnen de perken te houden. De mogelijkheden daartoe zijn echter beperkt; prostitutie is een veelkoppig monster.
Over de Duitse oplossing om sekswerkers zoveel mogelijk onder te brengen in eroscentra zijn ze gematigd positief: ‘Concentratie van prostitutie verdient de voorkeur boven spreiding; en dichte concentratie, om de gedachten te bepalen in een bepaalde straat, heeft voordelen.' Tegelijkertijd constateren ze ook dat zoiets in Nederland lastig te realiseren is vanwege het al sinds 1911 bestaande bordeelverbod. (tekst loopt door onder de afbeeldingen)
Prostitutie op Katendrecht
De jaren daarna wordt er in Rotterdam veel gedebatteerd over eroscentra. Stadsbestuurders, buurtbewoners en exploitanten zien er wel iets in. Het zou criminelen de wind uit de zeilen nemen en ook de overlast verminderen. Toch is er geruime tijd nauwelijks voortgang op dit dossier. Dat heeft vooral te maken met gebrek aan medewerking vanuit Den Haag. Pas als de minister van Justitie in 1975 zijn verzet staakt, komt er weer wat schot in de zaak. Dan doemen er echter nieuwe problemen op.
Een eroscentrum in het Poortgebouw?
De politiedossiers die nu openbaar worden lopen tot 1975. Over de gebeurtenissen daarna zwijgen ze. Uit andere bronnen weten we dat de emoties opnieuw hoog oplopen. In 1977 laat de gemeente haar oog vallen op het Poortgebouw aan de Stieltjesstraat als vestigingsplaats van een eroscentrum. Dat stuit op fel verzet van de bewoners van het Noordereiland en Feijenoord. Die laten geen gelegenheid voorbijgaan om hun ongenoegen kenbaar te maken. Tevergeefs, zo lijkt het, want in maart 1979 gaat de gemeenteraad akkoord met het plan.
Een paar dagen later breekt er brand uit bij het Poortgebouw. Omdat de brandweer snel ter plekke is, blijft de schade beperkt tot een zwartgeblakerde deur. Volgens de politie is de brand aangestoken. De pers vermoedt een link met de protesten tegen de komst van een eroscentrum.
Uiteindelijk zijn het niet de bewonersprotesten die het plan de das omdoen, maar een ambtelijk rapport. Dat betoogt dat de vestiging van een eroscentrum op gespannen voet staan met het voornemen om van het Binnenhaven- en Spoorweghavengebied een aantrekkelijke woonwijk te maken. Het blijkt de doodssteek voor de plannen rond het Poortgebouw. Daarna probeert de gemeente nog een tijdje elders in de stad een eroscentrum van de grond te krijgen, maar geen van die initiatieven is een lang leven beschoren. (tekst loopt door onder de afbeeldingen)
Protest tegen het eroscentrum
Openbaarheidsbeperkingen
Volgens de Nederlandse Archiefwet moeten de archieven van de overheid uiterlijk 20 jaar na ontstaan worden overgebracht naar een archiefbewaarplaats. Vanaf dat moment zijn ze voor iedereen in te zien, tenzij vooraf besloten is om de openbaarheid nog een tijdje te beperken. De reden is meestal bescherming van de ‘persoonlijke levenssfeer’ van de mensen die in de documenten worden vermeld. Afhankelijk van de inhoud kan die openbaarheidsbeperking soms wel 75 jaar duren. Voor de stukken in het politiearchief over de prostitutie op Katendrecht is bij de overdracht gekozen voor 50 jaar. Maar voor andere stukken geldt een termijn van 75 jaar. Dat is bijvoorbeeld het geval bij de aangifterapporten van politiebureau Straatweg (inv.nr. 2745) en bureau Sandelingenplein (inv.nr. 2895), waarvan nu de rapporten uit het jaar 1950 openbaar worden.
Behalve van de politiedossiers uit 1950 en 1975 vervalt op 2 januari 2026 de openbaarheidsbeperking op honderden andere inventarisnummers. Daaronder zijn dossiers van de gemeentelijke dienst voor Sociale Zaken over de zorg voor oorlogsgetroffenen en evacuees uit voormalig Nederlands-Indië (inv.nr. 597). Verder vervalt de openbaarheidsbeperking op delen van particuliere archieven uit Rotterdam en omgeving: instellingen als Ziekenhuis Bethesda (toegang 398) en bedrijven als de Holland-Amerika Lijn (toegang 318-05) en de Rotterdamse Lloyd (toegang 454-09).
Wilt u alles zien wat er in 2026 openbaar is gemaakt, neem dan contact op.