Tuintjes voor het volk

Onder Rotterdammers die het moeten doen met een woning driehoog-achter is de volkstuin al meer dan honderd jaar een geliefd toevluchtsoord. Ter gelegenheid van de Maand van de Geschiedenis duiken we in de geschiedenis van het Rotterdamse volkstuinwezen.

In 1911 kreeg Rotterdam zijn eerste moderne volkstuinencomplex. Het plaatselijke departement van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen stelde toen aan de rand van Kralingen, langs de Laan van Woudestein en de ’s-Gravenweg, een stuk grond beschikbaar waar bewoners uit de binnenstad hun eigen voedsel en siergewassen konden verbouwen. 

'Het nut van de volkstuinen behoeft wel niet te worden aangetoond’, schreef het Rotterdamsch Nieuwsblad op 22 februari 1911. ‘Dankzij zijn arbeid krijgt de huurder zijn huur in de vorm van groenten en winterbehoeften met winst terug. De voeding van het werkmansgezin kan daardoor beter zijn en in den winter, als alles zoo duur is, heeft het vrij voldoende een voorraad. En bovendien heeft de huurder het genoegen in zijn vrijen tijd inderdaad nuttig bezig te zijn, de tuinarbeid schenkt hem bevrediging en is gezond.'

Het Nieuwsblad was ervan overtuigd dat deze nieuwigheid een succes zou worden. Onder de bootwerkers en fabrieksarbeiders van Rotterdam waren immers veel immigranten uit Brabant, Zeeland en de Zuid-Hollandse eilanden, waar ze – meende de krant – ‘het boerenbestaan min of meer voldoende leerden.’

Het succes van het volkstuintje

Affiche Volkstuintentoonstelling in Diergaarde Blijdorp in samenwerking met Rotterdamsche Bond van Volkstuinders, 1943. Ontwerper onbekend. Collectie 4006, nummer II-1943-0025-01.
Affiche voor Volkstuintentoonstelling in Diergaarde Blijdorp, in samenwerking met R'damsche Bond van Volkstuinders, 1943. Ontwerper onbekend. Collectie 4006, nummer II-1943-0025

Overheid stimuleert de aanleg van volkstuintjes

De animo voor een volkstuintje bleek inderdaad groot: alle 241 perceeltjes vonden een huurder. Voor het Nut was dat reden een paar jaar later een tweede complex te openen aan de westkant van de stad. Daar, in Spangen, waren 132 tuinen beschikbaar, die ook allemaal werden verhuurd. 

Hoe het de complexen van het Nut daarna is vergaan, vertelt de geschiedenis niet. Wel is duidelijk dat ze een trend hebben gezet. In de jaren daarna zou het aantal volkstuinen in Rotterdam flink toenemen. Rond 1935 hadden naar schatting 10.000 gezinnen een perceeltje waar ze hun eigen groente en fruit teelden. Al die perceeltjes samen besloegen toen een oppervlak van bijna 250 hectare.

Dat het fenomeen zo’n vlucht kon nemen, kwam ook door overheidsbeleid. De gemeente gaf de aanleg van volkstuinen meerdere keren een flinke impuls door tegen gunstige voorwaarden grond ter beschikking te stellen. Dat gebeurde vooral in tijden van werkloosheid en schaarste, zoals vlak na de Eerste Wereldoorlog, tijdens de economische crisis van de jaren dertig en gedurende de Duitse bezetting.  (tekst loopt door onder de afbeeldingen)

Het gevaar van luxe en eenvormigheid

In de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog bleven volkstuinen onverminderd populair in Rotterdam. Ze veranderden echter wel van karakter: de moestuin maakte geleidelijk plaats voor de siertuin. ‘De huidige volkstuinen [zijn] ware lustoorden, waarop het verbouwen van groente veelal nog slechts in beperkte mate voorkomt’, zo constateerde de ambtelijke nota Stedelijk tuinieren in 1978. ‘Op zeer veel tuinen voeren in vele varianten een gazon en allerlei heesters, bomen en planten de boventoon’. 

Volgens de nota was die trend niet zonder gevaren. De toenemende luxe en eenvormigheid die de naoorlogse volkstuin kenmerkte, maakte ‘m ook duurder. De vrees was dat een volkstuintje daardoor buiten bereik zou raken van mensen met een kleine beurs. 

Toen in de jaren ’80 de wachtlijsten bij veel Rotterdamse volkstuinverenigingen plaatsmaakten voor leegstand, wezen de beschuldigende vingers dan ook in eerste instantie naar de oplopende prijzen. Onderzoek wees echter uit dat er iets anders aan de hand was: de oude generatie vertrok, maar er stonden weinig jongeren klaar om hun stekje over te nemen. Vraag en aanbod sloten niet meer op elkaar aan. 

Vanaf dat moment probeerden gemeente – als eigenaar van de grond – en de verenigingen de diversiteit aan tuinen te vergroten. Of dat ertoe heeft bijgedragen om de populariteit van de volkstuin weer op te krikken, is de vraag. In 2007 stelde de Rekenkamer in een kritisch rapport dat de verscheidenheid nog altijd te wensen overliet. Feit is echter wel dat de leegstand terugliep. Anno 2025 telt Rotterdam 46 volkstuincomplexen waar naar schatting 5.200 Rotterdammers tuinieren. De meeste van die complexen hebben inmiddels alweer een wachtlijst.

Meer weten

De collectie van het stadsarchief bevat veel gemeentelijke beleidsnota’s en onderzoeksrapporten over volkstuinen, maar ook gedenkboeken, jaarverslagen en tijdschriften van volkstuinverenigingen. Een belangrijk deel daarvan is te vinden in de bibliotheek: Bibliotheek | Bibliotheek (Stadsarchief Rotterdam)

Voor de volkstuinen van het Nutsdepartement Rotterdam (Maatschappij tot Nut van 't Algemeen), 1785-1971, zie inv. nr. 31 en inv. nr. 32 van toegang 66-01 

In het archief van de Commissie van Oppertoezicht over het Algemeen Armbestuur / Commissie voor het Burgerlijk Armbestuur/ Gemeentelijke Dienst voor Maatschappelijk Hulpbetoon te Rotterdam (toegang 57) heeft inv.nr. 1569 betrekking op het beschikbaar stellen van volkstuinen aan werklozen in de jaren 1930.