Fotograaf in de Tweede Wereldoorlog

Als gevolg van het wegvallen van de geldhandel tijdens de oorlog kwam Grimeyer zonder werk te zitten. Zijn aversie tegen de bezetter werd daardoor nog groter. In een interview met Het Vrije Volk op 27 december 1979 geeft hij aan dat dat één van de redenen is geweest dat hij vanaf het bombardement tot na de bevrijding de bezette en verwoeste stad gefotografeerd heeft. Het bewustzijn dat hij “al die vreselijke dingen – het puin, de arrogantie van de bezetter, de honger, het wegvoeren van mannen en nog veel meer” voor het nageslacht moest vastleggen was al snel na mei 1940 aanwezig.

Het fotograferen van bovengenoemde zaken was in oorlogstijd was niet zonder gevaar, zeker niet toen in november 1944 een totaalverbod op het fotograferen op straat werd ingevoerd. Het formaat van de Leica redde zijn leven toen hij in de winter van 1944/1945 met de fiets op weg was naar Oud-Beijerland waar hij een trouwfoto zou maken in ruil voor een zak aardappelen. Bij aanhouding door de Grüne Polizei werden zijn jaszakken doorzocht maar de Leica in zijn broekzak werd niet gevonden.

Grimeyer fotografeerde in het voorjaar van 1940 de puinhopen in de binnenstad, de restanten en skeletten van bekende Rotterdamse gebouwen en straten. Daarna volgenden reportages van het ruimen van het puin, het raseren van de binnenstad en het dempen van de Blaak en Schie met puinresten. Ook de in daaropvolgende bezettingsjaren tot aan de bevrijding legde hij het leven op straat vast. Al voor de oorlog had hij een zeer ruime hoeveelheid films ingeslagen en daar andere fotografen hun laatste films spaarzaam achterhielden voor het moment van de bevrijding, zag Grimeyer nog kans om pasfoto’s te maken voor mensen die valse persoonsbewijzen nodig hadden.